DE ZWARTE TIJD.

DROOMEN.

O zoete droomen, zoete droom en
Van stil genot en echte vreugd,
Geliefde droomen van mijn jeugd,
Hoe spoedig werd me uw troost benomen!
Nog is myn jeugd niet gansch voorbij,
Maar wreed en hard verstiet gij mij
En ach! om nimmer weer te komen: —
O, waarom hebt gij me ooit gevleid?
Of waarom moest ik ooit ontwaken?
Ontwaken om de nietigheid
Van wat men wereld noemt te smaken,
Ervaring, die tot weemoed leidt.
O jong te zijn is niet te weten
Wat mensch te wezen is op aard;
Mij wien ’t geheim reeds is verklaard,
Wat bood ik, zoo ik ’t kon vergeten!
Geen kennis die zoo ’t hart bezwaart.

STARTER zweeg eenige oogenblikken, en bleef op het gedicht staren. .Het is belachelijk” borst hij daarop uit, want wat toch waren dan wel die droomen van mijn nog vroeger jeugd? die luchtkasteelen van stil genot en echte vreugde? Het was mij, geloof ik, toen evenmin duidelijk als nu. Dat is het juist, mijn vriend! wij zijn ons zelven niet duidelijk; wij leven in een wolk, in een mist, met een duister gevoel van het betere, het ware, het gelukkige, dat wij grijpen zouden, indien wij het ons helder konden voorstellen; maar het ontbreekt ons aan verstand, gezond verstand, klaar en onderscheidend, kiezend of deelend verstand. Het is niet dat wij illusies verliezen., zou als wij ons verbeelden; maar het is dat wij behoeften aanwinnen, waaraan wij nog niet kunnen voldoen. Waarom niet? O, wij zouden het dan niet willen weten, maar het is eenvoudig omdat wij er nog te klein voor zijn!

„Droomen van mijn jeugd! Dat zullen dan droornen van de kinderjaren geweest zijn. Welnu, wat zijn dat voor droomen? Immers geen andere dan van koetsen met vier paarden, koningskronen, veldheersstaven, ridderlinten, en, als men eenigszins ouder wordt, van mooie meisjes, die allen, allen op ons verlieven! Al dat ongeluk is niet dan ongeduld; de loop der dingen is zoo haastig niet als wij; de Voorzienigheid stelt uit, en wij reikhalzen.”

Weder zweeg hij een poos, en toen stond hij driftig op:

„Het is ergerlijk!” riep hij uit, — „een jong student van een jaar of negentien verbeeldt zich te weten. wat mensch te wezen is op aard.” Redelijk aanmatigend, dunkt mij. En welke is dan nu zijne voorstelling van de zaak? Deze: dat mensch te wezen niet meer zegt dan: onderworpen te zijn aan allerlei teleurstellingen, allerlei grieven, waar de kunstmatige betrekkingen der wereld zijn gevoel mee kwetsen; dat mensch te wezen bestaat in: onderworpen te zijn aan het plan eener baatzuchtige maatschappij; dat mensch te wezen is: eene droevige noodzakelijkheid om met menschen te verkeeren. Nu, Goddank! weet ik beter wat dat schoone woord mensch te zijn inheeft. Mensch te zijn;” voer hij voort, en zijne oogen glinsterden van een edel vuur; „Mensch te zijn, is te weten wat men is, wat men kan, en wat men wil. Mensch te zijn, is te weten wat men voor de aarde wezen, en voor de toekomst worden moet. Het licht van Gods Woord, mijne vrouwen mijne kinderen leeren mij dat. Nu heb ik mijn doel voor oogen, voor mijn eigen ziel, voor hen, voor de maatschappij, voor de wetenschap, voor den hemel. Alles is mij nu helder en klaar, en ik ga recht op dat doel af, met bewustheid van mijne krachten, met bewustheid van Gods hulp, met vrijmoedigheid omtrent de genoegens des levens, met een mannelijke houding en een goelijken lach tegenover de dwaasheden der wereld, met beproefde wapenen tegen het leed, met kalmte en rust, te midden van beweging en botsing, en vol ijver om dien duren plicht te vervullen: mensch te zijn sedert predikt mij mijn kind op den schoot van zijne moeder: „Gedenk te sterven!” en het kerkhof, waarop ik uit dit venster zie: „Gedenk te leven!” Want dit is mensch te zijn: „te werken terwijl het dag is, eer de nacht komt dat niemand werken kan,” en die les van den Prediker te beleven: „Alles wat uwe hand vindt om te doen, doe dat met uwe macht, want daar is geen werk, noch verzinning, noch wijsheid in het graf, daar gij henen gaat.”

„Wat hebben wij hier?” hervatte hij na eene korte pooze,waarin hij op het kerkhof had gestaard, en ik op hem; „wat hebben wij hier?” hervatte hij, zijne zitplaats hernemende, en met een glimlach een ander gedicht uit de portefeuille opvattende: „Ah! de schildering van mijn voorkomen, zooals ik het in die dagen gaarne gehad had, van het effect, dat ik gaarne gemaakt had, van de uitzondering, die ik gaarne geweest was.”


Ingezonden op: 19 July 2001