DE ZWARTE TIJD.

ERNST.

Wanneer mijn voorhoofd rimpels krijgt,
Mijn breede wenkbrauw nederdaalt,
Mijn oog niet blinkt, maar duister straalt,
En uitspreekt wat mijn mond verzwijgt,
Een traan mij langs de wangen schiet,
Mijn schedel nederbukt naar de aard
Bezorgde vrienden, vreest dan niet
Dat wanhoop mij door ’t harte vaart,
Of dat ’t zich toegeeft aan verdriet!
Het zijn mijn zaligste uren dan:
O, de Ernst, die dan mijn ziel beheerscht,
Als ’k onweerhouden mijmren kan,
Bekoort mijn stiller hart het zeerst.

Is het niet alsof ik voor het portret van een somber dichter ga poseeren, die niet eet of drinkt, nooit beuzelt en lacht als andere menschen, maar alleen fronst en peinst, zooals LAMARTINE en VICTOR HUGO (hoe begrijp ik het mij, op hun leeftijd, indien ik het mij niet als kwakzalverij moet voorstellen?) zich willen beschouwd hebben, elkander opstekende met een:

Qu’il passe en pa ixau sein d’un monde qui l’ignore,
L’auguste infortuné que son âme dévore!

(Dat moet geen verstandig en krachtig man toelaten,) —

Respectez ses nobles malheurs;
Fuyez, o plaisirs vains, son existence austère;
Sa palme qui grandit, jalouse et solitaire,
Ne peut croître parmi les fleurs.

Dat hebben HOMERUS, noch SOFOKLES, noch HORATIUS, noch VONDEL; noch eenig krachtig genie der latere tijden alzoo ingezien. Het is een nieuwe ziekte, en zij is stellig contagieus! Maar verder met mijn gedicht! De maatschappij, die toch waarlijk, als geheel, zich niet inlaten kan met de stemming der individus, krijgt van den jongen poëet een duchtige preek, en een dreigement er bij:

En zoo een woeste wereld meest
Dat mijmren weert, dien ernst verstoort:
Wat aan den boezem toebehoort,
Dat rooft geen wereld aan den geest;
En zoo de dartle menigt’ lacht,
Zij, die niets heilig achten wil, ,
Om wat ze een dwaasheid acht, een gril,
’k Erken geen rechter, dien ’k veracht.
Eens zal haar spot en lach vergaan,
De doodsschrik haar om ’t harte slaan,
En, ongescbikt zelfs voor berouw,
Ontzegt Gods toorn haar ook den traan,
Dien nooit haar boosheid dulden wou.”

„De meedoogenloosheid waarmee gijzelf uwe verzen beschouwt,” zeide ik, „geeft mij moed u ook mijne opmerkingen mee te deelen. In deze regels erken ik mijzelven, in dat tijdperk. Niet waar? men moet de heldhaftige houding, die gij hier tegenover de wereld aanneemt, mistrouwen. Het is juist het gevoel van de meerderheid der wereld, dat ons bang maakt, en nu doen wij alsof wij haar verachten. Les enfans chantent quand ils ont peur. En wij, met onze figuur verlegen, en beschaamd, omdat ons de breede mantel niet voegt, dien wij hebben omgeslagen, weten er niet beter op, dan met eene zekere kwaadaardigheid op te treden.”

„Zoo is het!” hernam STARTER. „Het is niets dan verlegenheid, wat sommige menschen lomp maakt. Maar zie hier een derde stuk, dat zich aan het vorige aansluit. Hierin — maar oordeel zelf:


Ingezonden op: 19 July 2001