DE ZWARTE TIJD.

HEILIGSCHENNIS.

Gij wreede — sprak ik tot de Wereld — waarom mag
De traan van ’t warm gevoel niet blinken voor uw oogen,
En waarom haast ik me ooit hem blozende af te drogen,
Om mee te deelen in uw lach?

Waar — waarom moet ik, wen ge een oogblik op mij slaat,
Mij schamen, dat mijn borst een oogenblik gevoelde,
En wat er edelst, braafst, en menschelijkst in woelde,
Verloochnen door een koud gelaat.

Waarom drijft gij den spot met wat ik heiligst acht,
En dwingt mij om mijn hart, u vreezend, te verzaken,
Mijzelf geweld te doen en van geen gloed te blaken,
Waarmee gij in uw hoogmoed lacht.

En wie — wie gaf u ’t recht? — wie zijt gij die gebiedt,
Die blijde blikken vergt en afgedroogde tranen
Die koude harten eischt bij al uw onderdanen,
En warmte, en liefde, en ootmoed vliedt?

Verdwaalde die gij zijt, zoo dartel en zoo boos!
Van God en menschlijkheid zoo diep, zoo droef vervallen!
Wie leerde als met iets schoons u met uw snoodheid brallen,
En wat maakte u zoo liefdeloos?

Helaas, voor hemel doof en liefde, deugd en plicht,
Slechts blakend voor genot en ongestoorde weelde,
Behaagt ge uzelve, en kunt, sinds de ondeugd slechts u streelde,
Geen deugd zelfs dulden voor ’t gezicht!

In uw verdorvenheid lach, dwaze, voort! — Vergiet
Mijn oog een tranenvloed van uit den grond mijns harten;
’k Veracht u; ’k wil voortaan uw stalen voorhoofd tarten,
Uw schampre glimlach hoont mij niet.

Hoe zal het u, en wie uw’ outers rookt, vergaan!
O wie met tranen spot door ’t zacht gevoel vergoten,
Die zal — wanneer ook gij hem eenmaal zult verstooten
Geen lichtnis vinden bij den traan.

Eens zal hij, door ’t verwijt gefolterd, ’t brandend oog
Wanhopig heffen naar den Hemel, en hem smeeken
Dat hem één enkle drop moog langs de kaken leken,
Dat hij zich-zelv’ beweenen moog.

„Het eindigt bijna als het vorige;” zeide ik. „Intusschen,. hierin is, dunkt mij, meer rechtvaardigheid en meer waarheid. Hier zijn ten minste de grieven tegen de wereld bepaald aangegeven, et chaque flèche porte. Ik zie hier, dunkt mij, den wrevel van een gemoed, dat onder valsche schaamte lijdt, en daardoor duizend kwellingen ondervindt, die met een weinigje mannenmoed waren af te weren.”

„En waaronder ik ook sedert weinig geleden heb,” hernam mijn vriend. „Waarlijk, de wereld heeft het hart niet den spot te drijven met „wat wij heiligst achten”, indien wij slechts het hart hebben daarvoor uit te komen. Daar is te veel natuurlijke vrees des kwaads, dan dat men die niet zou kunnen opwekken. — Doch wij hebben nog niets gezien dan proeven van ontevredenheid met de maatschappelijke orde van zaken. Wij treden nu op het gebied van het innerlijk leven; het smartelijke, het wanhopige, het Byronmaansche. Ik zal u in eens op de hoogte brengen. Hadt gij ooit gedacht, dat ik déze verzen had geschreven?”


Ingezonden op: 19 July 2001