DE ZWARTE TIJD.

VAARWEL.

Vaar gij wel, steeds wel, geliefde!
k Sta u af; vaarwel het MOET!

Hm! zeide ik, het oude liedje!

Zoo uw keus mijn boezem griefde,
t Is uw heil niet, dat het doet.
Zoo, toen k meest mij zalig waande,
God! hoe hooploos ben ik nu!
Juist mijn zon het droevigst taande
Lieve, k wijt het niet aan u.
Zoo ik eerder had gesproken, .
Door geen hinderpaal verschrikt,
t Hart. waar mooglijk nooit gebroken,
Dat in bange zuchten stikt;
Zoo t u vroeger waar gebleken
Hoe die boezem klopt voor u,
Mooglijk zou de traan niet leken
Die mijn wangen uitbleekt nu.
Doch het zij zoo, laat mij zuchten
En verteren in mijn leed:
Staat slechts u geen smart te duchten,
Geen berouw van wat gij deedt;
Mocht wat mij de borst verscheurde,
Wat mij hooploos kwijnen doet,
Mij de wanlt met doodsbleek kleurde,
Weelde zijn voor uw gemoed;
Mocht wat mij doet zuchten slaken
Eenighoorbre klacht die k uit
U geheel gelukkig maken,
Tot gij (spade!) de oogen sluit!
Mocht wanneer k, in later dagen,
Soms uw naam vernemen mag,
leder van uw heil gewagen,
Die uw hart geopend zag;
En, och of u t lot vergonde,
Dat gij zaalger werdt voortaan,
Dan ik ooit u maken konde,
Had het in mijn macht gestaan.
O dan zal ik zeegnend denken
Aan den rellen harteslag,
Die mijn levensheil moest krenken,
Maar het uw volmaken mag!
Doch, indien wat mij doet treuren
Eens ook u vervult met smart.
Eens een boezem komt verscheuren,
Die te wreed bedrogen werd:
O Hoe zou t dit hart doen lijden,
Hoe hem grijpen in t gemoed,
Die u niet van t leed kon vrijden,
Eens zoo gaarn door hem verhoed.
Maar wees zalig blijf t, geliefde!
Steeds geliefde! schoon niet mijn,
t Hart dat gij onwetend griefde,
Zal u nooit tot aanstoot zijn.
t Zal in doodsche stilte lijden,
Met een glimlach op t gelaat,
En, waar t mag, uw bijzijn mijden
Dat het nergens zich verraadt!
Neen, gij moet het nooit ontdekken,
Nimmer weten hoe ik lij,
t Zou een ziel tot hartzeer strekken,
Nog maar half zoo zacht als gij!
Zoo die zachte ziel mijn harte
Vroeger beter had gekend,
O zij had zoo droef een smarte
Licht, uit deernis, afgewend.
Maar t is uit, de luchtbel spatte
Droef uiteen van hoop en vreugd,
t Droombeeld, dat k in de armen vatte,
Moordt mijn rust en knakt mijn jeugd.
t Is gedaan geen woorden helpen,
Zucht en tranen evenmin,
Doch wien smarten overstelpen,
Vindt er troost en lichtnis in.
t IJzren noodlot, dat ons beiden
t Pad heeft voorbestemd op aard,
Zal ons nog wel verder scheiden,
O dat denkbeeld is mij waard.
Vaar gij wel en wel voor immer;
Biede u de aard slechts rozen aan,
En gedenk den droeve nimmer,
Die u nastaart met een traan!

Dat heeft veel van BYRONS: Fare thee well!

In vorm ja; maar de toestand gelijkt al heel. sprekend op dien in zijne gedichten aan Mary; daaruit had ik hier ook het motto genomen:

Fair one, adieu! I must away;
Since thou art blest, Ill not repine.

En de schoone? was zij, als de vriend van daareven, denkbeeldig?

Neen, zij bestond. Het geval was, dat zij mij nauwelijks kende, en niet meer dan een paar malen op eene derde plaats ontmoet had. Zij verloofde zich aan een ander, dien zij wel kende, en dat was heel natuurlijk.

En gij waart inderdaad verliefd?

Zoo gij mij dat toentertijd met eenig scepicisme gevraagd had, ik had u op zijn minst doodgeslagen. En gij moest mijn dagboek uit die dagen lezen; vol verliefden onzin, vol aanhalingen uit HLTY en. anderen! Zeer zeker was ik wat men pris .noemt, want het meisje was buitengemeen mooi en bevallig. Hoe het zij, ik geloof nu dat het mij veel minder bevallen zou hebben, indien zij zich niet verloofd had; Ik had nu een doorn, om mij dan toch wezenlijk mee te grieven; Ik kon mij nu waarlijk ongelukkig maken en verdiepen in wolken van teleurstelling en hopeloosheid; ik had nu een bepaald voorwerp voor mijne aandoenlijkheid eene soort van verwezenlijking mijner ingebeelde smart; een voorwendsel, om het mijzelven te vergeven dat ik zulke wanhopige gedichten schreef. In het kort, Ik verdiepte mij zoozeer in deze zaak dat ik waarlijk geloofde waarheid te schrijven, toen ik de volgende verzen aan de verlorene geliefde maakte:


Ingezonden op: 19 July 2001