DE ZWARTE TIJD.

VERGETEN.

Vergeten? Neen, vergeten niet!
Ik heb de droefheid lief, de smart
Is dierbaar aan mijn kwijnend hart.
Ik koester heimlijk mijn verdriet;
Want zoo mijn weemoed mij begaf.
Mijn hart was ledig als het graf,

Mijn hoop vervloog; mijn rust verdween;
Mijn min werd misdaad; ze is voorbij;
Elk zoet genot verzaakte mij;
Niets rest mij dan de smart alleen;
Niets bleef mij trouw dan ’t stil verdriet
Vergeten? — Neen, vergeten niet!

Want mij, wien vreugde en lust verging,
Met blij genot en levensvreugd,
In al wat hartstocht vleit en jeugd,
(Ach reeds zoo vroeg!) een vreemdeling,
Hoe zou ’t mij arme! mij vergaan,
Zoo ’k nog mijn droefheid af moest staan.

Was daar een Lethe, die ’t gemoed
De erinn’ring van ’t doorstane leed
Ontnemen kon, ’t vergeten deed,
Ik vlood terug van d’ijsbren vloed:
Ik ken geen waarheid dan ’t vjerdriet,
En van die waarheid scheide ik niet.

Mij dunkt, zoo immer ’t ongevoel
Der onverschilligheid mijn smart
Verdrong, en mijn gebroken hart .
Ooit doof kon worden — doof en koel.
Ik zou mijzelf verachtelijk zijn,
En bidden weer mijn zielepijn.

O! ’t eenigst, dat verkwikking biedt,
Is d’ aandrang van de stille smart
Steeds in te volgen, en mijn hart
Ten prooi te voelen aan ’t verdriet;
Te mijmren aan en om mijn leed,
Te waken, dat Ik ’t nooit vergeet.

Gij, trouwe droefheid, blijf mij bij!
Erinn’ring aan mijn leed! o vlucht
Niet heen, verflauw niet.; want ik ducht
De smart niet, die gij eischt van mij!
Spreek, doffe klaagstem van ’t verdriet!
Vergeten? — Neen, vergeten niet.

„En toch,” sprak mijn vriend, weder opstaande en de portefeuille dichtslaande: „dat heb ik geschreven. Ik ben die stemming tebovengekomen, geheel tebovengekomen; en nu, van achteren, is het mij nuttig ook deze klip in al hare eigenaardigheden te kennen. Maar het is meer dan een jongelingsdwaasheid, mijn vriend! Ik verzeker u: het is een gevaarluk spel. De ziel neemt gaarne dien melancholieke plooi aan; en het ontbreekt niet aan omstandigheden, die er ons in aanmoedigen. Vrouwen hebben er sympathie voor: ,jonge meisjes worden er door bekoord. De verbeelding verliest haar licht, het hart zijne gezondheid, het kunstgevoel zijne frischheid, de natuur haar schoon. Ja, eindelijk zouden wij er in slagen de menschen te worden, die wij gespeeld hadden te zijn. De waarachtige poëzie wordt uitgedoofd en, geloof mij, tot zelfs de physieke gezondheid lijdt; ik had het reeds tot slapelooze nachten en bleeke wangen gebracht; wie weet waartoe het gekomen zou zijn! Ik beklaag menig jong auteur, wiens werk ik in handen neem — maar dan troost Ik mij ook weder met de gedachte: dat men vanzelf terugkomt en zijn eigen genezing uitwerkt.

Maar indien de kracht van zijn genie of de meerderheid van zijn verstand er den dichter zelven ook boven verheft, niet hetzelfde is te verwachten van de zwakkeren, die hem lezen. Voor ben blijft de belangwekkende weekheid hare bekoring behouden, en de dichter zal, tenzij hij herroept wat hij gedaan heeft, het verdriet hebben, naargeestigheid, menschenhaat en zelfgenoegzamen trots — want niets is hoogmoediger dan die verwaande weemoed, die op menschen van een gelukkiger gestel als met verachting neerziet te hebben in de hand gewerkt. Daarom, indien hij ooit tevoren het donkere pad betreden heeft, en zich bewust is van eenigen invloed te hebben uitgeoefend, behoort bij den moed te hebben met eigen hand af te breken. wat hij verkeerdelijk heeft gebouwd, en te zeggen als de Apostel: „Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, maar wanneer ik een man geworden ben, zoo heb ik tenietgedaan hetgeen eens kinds was.”

STARTER zweeg een oogenblik, en toen vervolgde hij:

„Wezenlijke rampen en smarten heeft dit leven vele, en heb ik sedert ook gekend; maar zoo ik ze gedragoen heb, het is niet geweest door mij met het schoone en poëtische der smartzelve te troosten en mij daarin te verdiepen. De weg is opwaarts, mijn vriend! opwaarts en niet nederwaarts; zoo zal dan ook de stemming opwaarts moeten zijn! Zulk eene stemming geeft kalmte, tevredenheid en menschenliefde; zij is geen ziekelijke overspanning; zij is waarachtige kracht. Maar ik wensch iedereen, tot zijne opleiding in dezen, dezelfde middelen toe, die mij ten deele zijn gevallen. En laat ons nu eens gaan zien, hoe de vrouw het maakt.”

Wij vonden de jeugdige gade met een voorspoedig kindje aan de borst, en ik las aan den avond van dien dag mijn vers „Aan eene jonge Moeder” nog eens voor.


Ingezonden op: 19 July 2001