DE ZWARTE TIJD.

AAN EEN VRIEND.

O, vraag mij niet, vraag mij nooit naar mijn smart!
Kondt gij mijn leed en mijn jammer waardeeren,
’t Zou slechts de maat van uw droefheid vermeeren;
Gij hebt genoeg voor een menschelijk hart.

Wat mij de wang reeds zoo ras heeft verbleekt,
Wat mij de kruin reeds zoo vroeg deed vergrijzen,
Zou, zoo gij ’t wist, u te duidlijk bewijzen
Dat zich het noodlot meedoogenloos wreekt.

Lang waart gij reeds uit uw droomen ontwaakt,
Toen mij der jonkheid begoochling nog streelde;
Nog bood de jeugd mij den beker der weelde,
Toen gij reeds d’ alsem der smart had gesmaakt.

Vaak waart ge reeds door de doornen gewond,
Toen ’k nog de rozen slechts kende van ’t leven;
Lang had die lach reeds uw lippen begeven,
Voor nog één zucht hem verjoeg van mijn mond.

Toen kwam het leed, waar gij vruchtloos naar vraagt;
Gij zijt niet rijker aan heil dan tevoren;
Maar zoo geducht is het wee mij beschoren,
Dat ik benijd, dien ik eerst heb beklaagd.

O, vraag mij niet, vraag mij nooit naar mijn smart!
Kondt gij mijn leed en mijn jammer waardeeren,
’t Zou slechts de maat van uw droefheid vermeeren;
Gij hebt genoeg voor een menschelijk hart.

„Geen kwade verzen, dunkt mij,” zeide ik na de lezing; en STARTER had ze uitmuntend gelezen, want dat kon hij niet laten. „Helaas!” was zijn antwoord; „ik vrees, dat deze geheele uitboezeming niet anders was dan oefening van den dichterlijken geest op een geliefd thema; de smart. Want de vriend, aan wien het gericht was, bestond evenmin als de grijze haren.”

„En het leed:”

STARTER nam een ander blaadje op en begon te lezen:


Ingezonden op: 19 July 2001