DE ZWARTE TIJD.

DE ZWARTE TIJD.

„Per me si va nella città dolente:
— — — — — — — — — — — — —
Lasciate ogni aperanza, vol che entrate.”
DANTE. Inf, C. 3.

Ik weet niet of mijn vriend een afstammeling is van den dichter van het beruchte liedeboekje, maar hij heet STARTER. Ontwijfelbaar behoort hij tot de gelukkigste rnenschen der maatschappij. Onafhankelijk, in het bezit van een aardig vermogen, met een hoofd versierd met de edelste kundigheden en een hart vatbaar om al wat goed en schoon is te genieten, bewoont hij met een jonge gade en twee lieve kinderen een aangenaam gelegen landhuis in het Geldersche. Alles vertoont daar den goeden smaak van den bezitter; de sobere rijkdom in het meubilair, de harmonie der kleuren van behangsel en tapijten, het in ’t juiste licht opgehangene schilderij van waarde, de statige marmervaas, die op het trumeau de plaats van pendules en stolpen inneemt, het spreekt alles den humanen geest uit, die al deze dingen regelde. De bibliotheek is een der volledigste, die ik bij iemand van STARTERS jaren ooit gezien heb, en vervult een der schoonste kamers van het bovenhuis. Het uiterlijk der boeken lokt tot lezen uit, en de deftige standbeelden, afgietsels van antieken, in de vier hoeken der zaal, ademen u als het ware de kalme rust der oudheid tegen.

Onlangs hem in dit heiligdom van geleerdheid en kunst bezoekende, vond ik hem met een bundel gedichten voor zich. „Wat leest gij daar?” vroeg ik, zonder te vermoeden dat deze vraag een voor mij zoo zeer belangrijk gesprek na zich slepen zou.

„Een schadelijk boek,” was het antwoord; .Lord BYRON.”

„Dank voor zijn vertaler!” zeide ik.

. Versta mij wel,” hernam STARTER troostrijk, „ik geloof niet dat gij door uwe vertalingen de zeden verpesten zult; daartoe hebt gij te wel gekozen. Als ik BYRONS werken schadelijk noem, denk ik ook ditmaal niet eens aan het ongeloof en de ontucht, die er in doorspelen, niet. aan den Don Juan met al zijn behagelijke onzedelijkheld; aan niets van dat alles; maar alleen. aan dat element in zijne werken, ook in dat gedeelte, hetwelk iedere vrouw zonder blozen lezen kan, dat u en mij voor een poos besmet heeft. Ik bedoel dat naargeestige, sombere, wanhopige, dat op zekere jaren onzes levens zooveel aantrekkelijks heeft; onder welks invloed gij den Jose geschreven hebt, en dat ik ook, gewijzigd naar uw gemoedelijker stemming, in den Kuser wedervind.”

„En de Gwy de Vlaming?”

„Heeft er dunkt mij niets meer van. Maar het fatale van het feit doet nog aan BYRONS concepties denken.”

„En waarom niet aan SOFOKLES, uit wien nog wel het motto genomen is?”

„Omdat al uwe vormen de romantische school verraden. Voor het overige is het feit bij SOFOKLES zeker nog afgrijslijker, en het optreden der kinderen uit het agamot gamoz , gesproten, heeft voor mijn gevoel iets zeer stuitends. Ik vind ook niet dat de Grieksche treurspeldichter spaarzaam is met het gruwelijke. Oedipus is uitvoeriger dan Gwy :

pathr ejanJhn enJen antoz hroJcn

en dan nog meer:

ti gar cacvn apeoti; ton patera pathr
dmvn epeJne thn teconsan hrosen
dJen per antoz esparh cac ihwn
ect
hsaJ nmaz, wnper antoz exejn.

Gwy zegt, door Machtelds versteend zwijgen als zijns ondanks genoopt duidelijk te zijn:

’k Omarmde een zuster in een bruid!
Moet ik dan alles u doen hooren?

Ondertusschen…”

„Wij zijn wel dwaas,” viel ik in, „in éénen adem van die twee stukken te spreken.”

„Welnu,” zei mijn vriend, „wij vergelijken ze niet; wij stellen ze tegen elkander over. Dit nog wilde ik zeggen. Het onverbiddelijk Noodlot heeft bij SOFOKLES den gruwel bepaald; daar is geen ontkomen aan. Dat Noodlot is heilig, en wordt door u en mij overeenkomstig den geest der Oudheid geëerbiedigd: maar GWY’S vergeldingsleer is eene dwaling, die wij niet erkennen; wij gelooven niet, dat God den duivel macht geeft over hem, die geen geestelijke of monnik geworden is, en zijne roeping in dezen heeft miskend; en, al namen wij dit als een punt van geloof aan, wij kunnen ons niet voorstellen, dat de Algoede daar een onschuldige Machteld het slachtoffer van zou maken. De Gwy de Vlaming is dus een schrikkelijk voorval, maar dat de heiliging mist, die SOFOKLES aan den door hem voorgestelden gruwel, door zijn Noodlot, gegeven heeft.”

„Klaar en duidelijk; maar spreek mij niet van BYRON. Toen ik den Gwy schreef, had ik zijn werken reeds in jaren niet ingezien, en haaste ik niets zoo zeer als met hem vervolgd te worden, ja meende ik reeds geheel uit zijne netten ontkomen te zijn.”

„Ik geloof gij het bewezen hebt, en nog verder bewijzen zult. Ook kan niemand het lang bij dien BYRON uithouden. Zoo hij langer geleefd had, hij zelf zou veranderd zijn, of althans een walg van zijn eigen gemaaktheid gekregen hebben. Want bij al zijn smart en wanhoop was veel gemaaktheid. Hoe weinig was zijn leven, waren zijne uitspannintgen, zijne. genoegens, ja zijne denkbeelden over de kust zelve in harmonie met zijne verzen! En diezelfde gemaaktheid kleeft allen aan, die onder zijn invloed schrijven of denken. Evenwel laat ons billijk zijn. In ieder jongelingsleven is eene periode waarin men dweept, en zoo men een teergevoelig, een prikelbaar gestel heeft, vervalt men er licht toe om met eigen kleine teleurstellingen te dwepen. Men kan bij het ontluikend hart de kracht niet onderstellen zich hoog op te heffen en de dingen groot te denken; het denkt ze liever aandoenlijk; en zonder sterkte om een held te zijn,. wil men zich martelaar maken. Zoo heb ik het ondervonden, en in dat tijdvak deed de lectuur van BYRON mij machtig veel kwaad. Gij vindt hem nu in mijne handen; het komt omdat mijvan morgen deze kleine portefeuille onder ’t oog kwam. Daarin zijn verzen uit dien zwarten tijd voorhanden. Ik herlas ze, en. herinnerde, er mij de half natuurlijke, half aangenomene stemming bij, waarin ik ze geschreven had. Nu sloeg ik BYRON nog eens op, en Ik was weer achttien en negentien jaar oud…”

„Mag men er ook iets van hooren?”

„O ja! Er was een tijd, dat ik deze stukken niet gaarne aan iemand, behalve aan een zeker vriend, die vrij wat met hetzelfde nat overgoten was, had laten zien. De meeste anderen zouden mij vreemd hebben aangekeken, en volstrekt zich niet hebben kunnen begrupen, dat ik ze geschreven had. Toen ter tijd zou ik er hen om veracht hebben; nu zou ik hun groot gelijk geven. Zie hier bij-voorbeeld N°. 1. DROMEN.

Het motto is van BALZAC, ook al iemand die op dat ziekelijk gevoel speculeert: „II y a des hommes, qui apprennent la. vie tout-à-coup, la jugent ce qu elle est, voient les erreurs du monde pour en profiter: les préceptes sociaux pour les tourner 1a leur avantage, et qui savent calculer la portée de tout; ce sont des hommes froids, mais sages selon les 1ois humaines. Puis il y a des pauvres poetes…” Ik weet niet of ik dit motto niet nog al uit zijn verband gerukt had, want ik zie nu dat het uit „le Médecin de Campagne” genomen is, en ik zie niet in hoe het daar, in eenige analogie. met mijne verzen, te pas zou komen; maar hoe het zij, zoo als ik het hier opneem is er een goed deel dichterlijke, of laat zeggen kwajongenstrots in, alsof men er beter om was het leven niet te begrijpen en niet wijs te zijn!

„En nu het gedicht!”


Ingezonden op: 19 July 2001