De oogst

J.A.A. Goeverneur

't Is Oogsttijd.  Ginds in 't donker woud verscholen,
   Bespiedt de Dood met gierig oog het veld;
     Reeds heeft zijn hand de zeis omkneld,
Geen rijpende aar blijft voor zijn oog verholen.
't Is Oogsttijd.  Zie hem grijnzend nader treden;
   Hij heft den arm, en de aren vallen neer;
     Zijn buit vermeert zich meer en meer,
En halm bij halm zinkt, van zijn hand doorsneden.
't Is Oogsttijd.  Hoor die doffe tonen klinken
   Als donderknal, vermengd met windgefluit;
     Dat is de juichtoon, dien hij uit,
Bij 't zien des roofs, dien hij deed nederzinken.
't Is Oogsttijd.  Zie... maar in 't nachtlijk duister
   Verflauwt zijn beeld, verdwijnt in 't ver verschiet;
     Zijn korts zoo juichend zegelied
Sterft weg in nauwlijk hoorbaar spookgefluister.
't Was Oogsttijd.  Maar, moog 'k nu nog 't hoofd verheffen,
   In volle kracht mij wortelen in de aard,
    Misschien heeft hij mij thans gespaard,
Om morgen des te zekerder te treffen.
't Was Oogsttijd.  Maar, schoon nu mijn oog onttogen,
   De dood keert weer, misschien bij 't rijzend licht;
    Geen halm blijft veilig voor zijn schicht,
Niet één, één aar ontgaat zijn zoekende oogen.
't Zal Oogsttijd zijn.  Eens velt hij mij ter aarde,
   Eens rukt zijn hand mij van de stengel af,
    Eens sluit hij me in het duister graf,
En ik herkiem, een zaad van eedler waarde.
Bij d'Oogsttijd ligt die kiem in mij verborgen,
   Die kiem van bloei en eindelooze kracht:
    Dan vel me, o Dood!  Na korten nacht
Volgt immers licht, volgt immers de eeuwge morgen.
't Zal Oogsttijd zijn...   Welk denkbeeld doet mij beven?
   Eens rukt zijn hand mij van den stengel af,
    Dan... zou hij me ook, als nutloos kaf,
't Verslindend vuur te grage prooie geven? -
't Zal Oogsttijd zijn! - o Denkbeeld, dat nu beven
   En siddren doet, dat troost in leed en smart,
     o Blijf steeds leven in mijn hart,
o Blijf bij mij, wat me immer moog begeven.
't Zal Oogsttijd zijn!  Nu dient de kiem geschoten;
   Een korte poos... reeds is de zicht gewet:
     Het kaf wordt aan een zij gezet,
En 't nieuwe zaad schiet jonge frissche loten!


Gedichten en rijmen, 1855

[J.A.A. Goeverneur pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.