Prikkebeen

J.A.A. Goeverneur pagina

1 Hoe mijnheer Prikkebeen zich met de kapellevangst verlustigt

>

[Deel Inleiding]

's Morgens vroeg sjokt Prikkebeen
Druk door dik en dun al heen;
Vlinders vangen in zijn net
Is zijn allergrootste pret
En, als men hem dat verbood,
Kniesde hij zich zeker dood.
Heeft hij zo na lange jacht
Eén gevangen - o, wat lacht
Prikkebeen dan wonderzoet!
't Beestje speldt hij op zijn hoed,
En geen gouden koningskroon
Is dan in zijn oog zo schoon.
Komt hij eindlijk, moe en mat,
's Avonds thuis met heel zijn schat,
Dan wordt alles net geschikt
En in kastjes vastgeprikt. -
Croesus, schoon als rijk bekend,
Was bij Prik een arme vent.
Nog voordat hij slapen gaat
En in 't blote hemd al staat,
Neemt hij zo een beestje op
En bekijkt het op en top, -
zoals afgebeeld staat hier,
Ginnegapt hij van plezier.
En zelfs 's nachts nog op zijn bed,
Met zijn slaapmuts opgezet,
Droomt hij van vlinders aan de wand
Zitten en waar overal
Torren vliegen zonder tal.
Vroeg, vóór dag en dauw al, staat
Hij weer voor zijn bed paraat,
Brommend: `'k Ben nieuwgierig al,
Wat vandaag ik vangen zal.' -
Prikkebeen, ik raad je man,
Trek toch eerst je broek maar an!
Maar helaas, 't was jammer, dat
Prik een boze zuster had,
Die hem dagelijks bekeef,
Dat hij bij haar thuis niet bleef.
Tot hij eindelijk op papier
Bracht dit korte briefje hier:


[Deel 2: Hoe mijnheer Prikkebeen aan zijn zuster een afscheidsbrief schrijft] [J.A.A. Goeverneur pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.