Prikkebeen

J.A.A. Goeverneur pagina

X Hoe mijnheer Prikkebeen Ursula andermaal verlaten wil en hoe dat afloopt

[Deel IX Hoe mijnheer Prikkebeen en zijn dikke vriend gered worden en onder de Turken gaan]

Dikke zegt hierop zijn vrind,
Dat hij 't voorstel kostlijk vindt,
En heeft, zwaar verliefd geraakt,
Ursula zijn hof gemaakt, -
Prikkebeen ziet hoogst voldaan
't Zoet gevrij der beiden aan.
Zo slijt men in liefde en vreê
Wel een week, twee, drie op zee;
Prikkebeen heeft rust voortaan,
Dikkie kust, hoogst aangedaan,
't Roosje liefelijk en schoon,
Hem door Ursel aangeboôn.
Eindlijk wordt men land gewaar;
Prikkie maakt zich aanstonds klaar,
Stelt de Dikke aan Ursel voor
En zegt: `Lieve zussie, hoor,
Nu je een man krijgt, kun je mij
Missen, en dus scheiden wij.'
Ursel echter schreeuwt verwoed:
`Neen, 'k zeg, dat je blijven moet!'
Prikkebeen valt om van schrik,
Evenzo ook meester Dik. -
Beiden liggen stil en stom,
Ursul trappelt op hen om.
Doch van drift en boosheid krijgt
Ursel zelf een flauwte en zijgt
Met een gil op beiden neer.
Geen van hen verroert zich meer,
En zo liggen alle drie
Nu zo stil in compagnie.
Eindlijk, na een uur misschien,
Wagen zij 't eens op te zien,
En daar Ursel ba noch boe
Zegt, zo sluipen zij op haar toe. -
Och, daar ligt ze levenloos
Als een bleke witte roos.
Wis en stellig is zij dood!
Dikkie'a droefenis is groot,
Want hij had het lieve kind
Allertederlijkst bemind. -
Diep geroerd en aangedaan,
Vatten zij het lichaam aan.
Doch toen zij dat, naar 't behoort,
Willen gooien over boord,
Komt de dode opeens weer bij
En stoot beiden wild op zij. -
Prikkebeen ontstelt geducht
En neemt overhaast de vlucht.
Och, die goeie Prikkebeen!
Hij wil vluchten, maar waarheen?
Rondom 't schip is alles zee,
Nergens is een veilge steê.
Rustloos, al rondom, rondom,
Rent hij op het vaartuig om.


[Deel XI Hoe mijnheer Prikkebeen met al het scheepsvolk krijgertje speelt] [J.A.A. Goeverneur pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.