Prikkebeen

J.A.A. Goeverneur pagina

XIII Hoe mijnheer Prikkebeen en de dikke in de slavernij komen

[Deel XII Hoe de wijzen van de dei van Algiers het draaiende schip voor een komeet houden]

Toen de Dei de zaak vernam,
Werd hij allervreeslijkst gram
En hing, ieder aan een strom,
Al zijn domme wijzen op,
Omdat die hem altemaal
Fopten door hun leugentaal.
Die drie Christen houdt de Dei
Voortaan wreed in slavernij.
Met een keten zwaar belaan,
Moet Prik naar de moestuin gaan,
En wordt op het hete veld
Ergens aan het werk gesteld.
Doch, pas hoort de Dei er van,
Wat dóórknap en kundig man
Dikkie is, of levenslang
Schenkt hij hem de doctorsrang,
Waarvoor hij 't jongeling prinsegoed
Handig lezen leren moet.
Maar de Prinsjes, speels en lui,
Hebben van 't A.B. de brui;
Leren kunnen ze altijd wel,
Zij begeren pret en spel,
En dus staat, tot hun plezier,
Dikkie voor hen bokje hier.
Dat behaagt hun extra zeer,
Van het leren komt niets meer.
Wat ook Dikke knort of scheldt,
Wat al moois hij hun vertelt,
Altijd is 't `Kom, Doctor, kom,
Sta nog maar eens knapjes krom.'
Eindlijk komt op dat schandaal
De oude Dei eens in de zaal.
`Kennen', roept hij, `deze twee
Morgen niet heel 't A.B.C.,
Vriendjelief, dan, bouw er op,
Zult gij bonglen aan de strop.'
Onze Dikkie staat ontzet;
In de galg vindt hij geen pret,
En dus zeit hij al maar door
't A.B. aan de Prinsjes voor;
Doch terwijl hij de ene guit
Leert, wat voert toen de ander uit?
Kijk, die slaat om 't vette been
Van den Dikke een touwstrik heen,
En daar bindt hij nog tot last
Een hele zware balk aan vast. -
Toen nu Dikkie lopen wou,
Zat hij vast aan blok en touw.
Daarop vluchten zij tezaam
Naar de tuin.  Dik roept door 't raam:
`Lieve Prinsjes, alle twee,
'k Bid je, leer toch 't A.B.C.! -
Och, als je 't morgen niet ken,
Hangt je Pa mij, arme vent!'


[Deel XIV Hoe het waardige drietal uit de slavernij ontvlucht] [J.A.A. Goeverneur pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.