Prikkebeen

J.A.A. Goeverneur pagina

XIV Hoe het waardige drietal uit de slavernij ontvlucht

[Deel XIII Hoe mijnheer Prikkebeen en de dikke in de slavernij komen]

Dikkie, die graag vluchten wou,
Zit nu deerlijk in het nauw;
Want, of hij al trekt en doet,
Vast zit hij met de ene voet.
Wat hij trappelt, spartelt stampt,
Stijf blijft hij daar vastgeklampt.
Eindlijk echter, met een ruk,
Raakt hij los.  Bij ongeluk
Stort de kamer van de Dei
Tevens heelmaal in daarbij;
Zó ijsbaarlijk was de schok,
Toen Dik zo vervaarlijk trok.
En thans springt hij, desperaat,
Uit het raam, dat open staat;
Doch, niet denkend aan het ding,
Dat aan 't ene been hem hing;
Houdt dat aan 't kozijn hem vast...
Daar is Holland weer in last.
Toen de Prinsjes evenwel
Zagen de afloop van hun spel,
Pakte de een hem bij zijn rok,
De ander gaf een stootje aan 't blok,
En zo kwam de Dikke weer
Op zijn beide voeten neer.
Nauwlijks staat hij op de grond,
Of hij kijkt verbijsterd rond,
Neemt een vaart en gaat als dol
Met zijn blok aan 't been op hol. -
Hij had wél zo wijs gedaan
Door zich eert daarvan te ontslaan.
Ursel, die voor 't venster staat,
Ziet, hoe Diklief vluchten gaat,
En terstond vlucht nu ook zij
Uit de wrede slavernij. -
Met op zij een blinkend zwaard
Loopt zij als een hollend paard.
Onderwijl plant Prikkebeen
Kropsla, bloemkool, ui en peen,
En een baardig turks soldaat,
Die daarbij op schildwacht staat,
Geeft hem ieder ogenblik
Op zijn lange neus een tik.


[Deel XV Hoe bij de vlucht al de bewoners van het land om het leven komen] [J.A.A. Goeverneur pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.