Prikkebeen

J.A.A. Goeverneur pagina

XV Hoe bij de vlucht al de bewoners van het land om het leven komen

[Deel XIV Hoe het waardige drietal uit de slavernij ontvlucht]

Schoon, daar op een morgen ziet
Hij zus Ursel in 't verschiet,
En dat maakt hem zo benauwd,
Dat hij vlucht naar 't naaste woud,
Waar hij in zijn angst de wijk
Neemt en klautert in een eik.
Prikkebeen zit hoog en droog
Op de eik; maar 't scherpziend oog
Van zijn zuster Ursula
Merkt zijn lange benen dra. -
`Kom broer', roept ze, `vlucht met mij
Uit de wrede slavernij!'
Broerlief nochtans houdt zich doof
En klimt hoger op in 't loof. -
Wat zus Ursel roept of bid
Prik verroert geen enkel lid,
`Hoe gelukkig' - denkt de man -
`Dat mijn zus niet klautren kan!'
Onderwijl vlucht doctor Dik,
Voortgezweept door angst en schrik;
Doch, door 't schuren, dat het doet,
Raakt zijn blok allengs in gloed.
Vonk en vlam slaat er uit op;
Dikkie's wanhoop rijst ten top.
Gras en kruiden, heester, plant,
Alles raakt weldra in brand. -
Met de staarten in de lucht
Komen leeuwen aangevlucht. -
Mens en dier stormt, bang te moê,
Op 't naburig zeestrand toe.
Prikkebeen, die spoedig ook
Op zijn boom de brandlucht rook,
Moest nu, om de dood te ontgaan,
Ook wel uit zijn hoek vandaan. -
Toen hij naar beneden kwam,
Stond de stam al half in vlam.
Ursel grijpt hem bij de hand,
Om te vluchten naar het strand;
Dikkie volgt met luid gekerm;
Mens, gediert - een dichte zwerm
Loopt, loeit, brult uit volle keel ...
't Is een akelig toneel!
Stadig wint de brand meer veld.
Alles vlucht voor 't vuurgeweld,
Alles springt pardoes in zee,
Alles, tot de leeuw zelfs mee;
Alles spartelt nog een poos,
En verzinkt dan voor altoos.
Dikkie's blok was echter toch
Helemaal verbrand niet nog,
En dient nu het drietal tot
Een hun 't leven reddend vlot. -
De arme Dei zien ze ondergaan
In de koele oceaan.


[Deel XVI Hoe de reis op het blok voorspoedig afloopt] [J.A.A. Goeverneur pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.