Prikkebeen

J.A.A. Goeverneur pagina

XVI Hoe de reis op het blok voorspoedig afloopt

[Deel XV Hoe bij de vlucht al de bewoners van het land om het leven komen]

Daar dus dobberen de drie
Zoetjes voort in compagnie,
Tot hun oog in 't ver verschiet
Eindelijk een vaartuig ziet. -
Langzaam komt dat naderbij
En verneemt hun noodgeschrei.
Spoedig nu verscheen een boot,
Die hen redde uit alle nood;
En, wie had wel ooit verwacht,
Wie 't ooit mogelijk gedacht,
Dat het schip, waarop men kwam,
Was ... `'t Fortuin van Rotterdam?'
Ursel had door 't koele bad
Evenwel toch kou gevat,
En voelt zich van rheumatiek
Onplezierig, flauw en ziek,
Waarom broerlief nacht en dag,
Van har bed niet wijken mag.
`Prikkie', zucht ze voor en na,
`'k Voel, dat ik gauw sterven ga;
Maar als je mij wàt bemint,
Dan beloof me, beste vrind,
Van dat dwaas kapelgevang
Af te zien je levenlang.'
Prikkie wordt van schrik zo bleek,
Dat hij zelf ook ziek wel leek,
En dus dringt zij hem een kop
Uit haar eigen drankfles op. -
Zuchtend slikt hij met haar mee
Vliersop en kamillethee. -
Eens, toen hij aan 't snurken hoort,
Dat zij slaapt, pakt hij zich voort.
Zoetjes, zonder 't minste geluid,
Wipt hij de kajuitsdeur uit.
Tot hij eindelijk onverlet
Op het dek zijn voeten zet.
Lieve Grut ... wie, denkt ge wel,
Staat daar vóór hem? - Pieternel,
Zijn als dood betreurde bruid!
Van verrukking giert zij 't uit,
Pakt hem, zoent hem. - Speleman
Speelt zo mooi, als hij maar kan.


[Deel XVII Hoe mijnheer Prikkebeen nogmaals de vlucht neemt] [J.A.A. Goeverneur pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.