Prikkebeen

J.A.A. Goeverneur pagina

Hoe mijnheer Prikkebeen nogmaals de vlucht neemt

[Deel XVI Hoe de reis op het blok voorspoedig afloopt]

Nelle zegt: `Kom vluchten wij
En kom naar mijn land met mij!'
Doch hij schudt bedroefd het hoofd;
Wat hij Ursel heeft beloofd
Valt hem eensklaps zwaar op 't hart. -
Arme man, groot is zijn smart.
Maar toen eindlijk Peternel
Zegt: `Kom, engel, kom toch snel;
In de landstreek, waar ik woon,
Vindt ge vlinders wonderschoon,'
Toen kon Prik haar niet weerstaan
En roept: `Schatje, laat ons gaan!'
Voordat Ursula ontwaakt,
Wordt nu alles klaar gemaakt.
De kapitein geeft op hen beê
Hun een boot met roeier mee,
Die hen zonder ongeval
Brengen moet naar vaste wal.
Prikkebeen, zijn lieve bruid,
Die haar mop in de armen sluit,
en de Speelman ... deze drie
Vluchten zo in compagnie. -
Op de maat van Speleman
Roeit de roeier wat hij kan.
Door een lange slaap verkwikt,
Ontwaakt Ursel en ze schrikt,
Daar ze Prikkebeen niet ziet.
`Broer, waar ben je?  Hoor je niet?'
Roept ze; maar er antwoordt geen;
Driftig springt ze op de been.
Prikkie was al ver van boord,
En toen Ursula dat hoort,
Krijgt ze een vlaag van razernij; -
Wild stoot ze iedereen op zij,
Grijpt zich aan de touwen vast
En klimt in de hoogste mast.
Daar komt juist de sloep aan 't strand;
Allen springen blij aan land
En een warm: `Wien Neerlands bloed'
Geeft lucht aan hun vol gemoed. -
Zelfs de mop bromt wel te vreê
In het koor met de andren mee.


[Deel XVIII Hoe Ursula uit kwaadaardigheid jammerlijk aan haar einde komt] [J.A.A. Goeverneur pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.