Prikkebeen

J.A.A. Goeverneur pagina

III Hoe mijnheer Prikkebeen op reis gaat en per schip Europa verlaat

[Deel II Hoe mijnheer Prikkebeen aan zijn zuster een afscheidsbrief schrijft]

Nu heeft Prikkebeen gewacht
Tot in 't hartje van de nacht,
En toen sloop hij als een muis
Op zijn tenen uit het huis. -
'k Groet je zus!  Als 't kan geschiên,
Hoop ik je nooit weer te zien.'
En toen hij nu reizen ging,
Wat was 't eerste, dat hij ving?
In zijn net een ... grenadier,
In zijn hoed een ... vrouw.  Getier
En geschimp was 't geen gebrek;
Iedereen hield hem voor de gek.
Maar tot laat nog in de nacht
Houdt hij vol toch met zijn jacht,
Tot een katuil, schuw door 't licht,
Hem komt vliegen in 't gezicht.
Dat maakt aan het spel een end
En hij zoekt een logement.
Eindelijk, na een dag of twee,
Komt hij aan het strand der zee,
Waar een schip juist zeilreê ligt.
Bij dat heugelijk gezicht
Juicht heer Prikkebeen het uit
En neemt aanstonds een besluit.
In een bootje roeit hij voort
Naar het grote schip aan boord;
Vrolijk zwaait hij net en hoed,
`Holland' roept hij, `wees gegroet!
'k Lach nu met zus Ursula!
En ga naar Amerika!'
Ach, pas komt hij op 't schip,
Of ... wie krijgt hem bij zijn slip?
Zijn lief zustertje Ursula,
Was gereisd hem achterna,
Zag, hoe hij naar boord vertrok,
en pakt hem nu bij zijn rok.
En ze huilebalkt en schreit,
Tot hij haar heeft toegezeid,
Af te zien zijn leven lang
Van zijn dwaas kapelgevang, -
Prikkie kuiert stil en stom
Met haar op het schip wat om.
Ursel speelt tot zijn plezier
Blindeman met broerlief hier,
En de onnoozle sukkel tast
Zoekend rond ... potsierlijk was 't!
Tot hij eindelijk als buit
Ursula in de armen sluit.
Thans is Ursel blindekoe;
Stijf trekt hij de doek haar toe,
En wipt met zachte stap
De kajuit uit langs de trap.
Ursula blijft dus alleen
En zoekt vruchtloos Prikkebeen.
Op het dek staat hij daar zo
En zucht klaaglijk och en o!
Omdat hij niet meer voortaan
Op de vlinderjacht mag gaan. -
Kijk, zijn ogen rollen wild
En tot zelfs zijn neus toe trilt.
Onderwijl zit Ursula
Nog maar altijd broerlief na;
Maar al zoekt zij al haar best,
Nergens vindt ze iets, tot op 't lest
Zich de doek van de ogen trekt
En geen spoor van hem ontdekt.


[Deel IV Hoe mijnheer Prikkebeen in 't water springt en wat daarop volgt] [J.A.A. Goeverneur pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.