Prikkebeen

J.A.A. Goeverneur pagina

VII Hoe mijnheer Prikkebeen aan de Noordpool komt en wat daar verder met hem gebeurd is

[Deel VI Hoe mijnheer Prikkebeen bitter bedroefd is, maar eindelijk toch uit de vis verlost wordt]

Prikkebeen tast, pas aan land,
Naar de Haarlemse krant;
Maar de dikke roept: `Och heer,
Lieveling, heb 'k jou daar weer!'
Want hij vond zijn pruikje, dat
In een van de darmen zat.
Zoetjes aan al komen zij
Nu de Noordpool mooi nabij.
't Sneeuwt, rijpt, hagelt; de ijsbre kou
Verft hen beiden bont en blauw,
En de vorst bevriest hun, heus,
Tenen, vingers, mond en neus.
Eindlijk is hun 't bloed gestolt.
Prikkebeen valt om en rolt
Zo pardoes op Dikkie neer;
Die ook heeft geen leven meer,
Maar ploft, met zijne éne been
In de lucht, als blok daar heen.
Toen de visvangst was volbracht
En het schip met traan bevracht,
Vond men de bevroren twee
En nam ze op de schouders mee,
Enkel om de vreemdigheid,
Als een ding van rariteit.
Met om hals en been een strop
Hing men aan de mast hen op.
Koud, verkleumd, hard, stijf en strom
Bongelden daar beiden om.
't Was, begrijpt een ieder licht,
Een heel akelig gezicht.
Maar zie daar, een woeste orkaan
Dreef hier thans ook 't roofschip aan.
Ursel lag met Turken daar
Stijf bevroren door malkaar,
En zo hees men met een wip
Heel de troep in 't walvisschip.
't Manvolk wierp men onder dek,
Geen bewoog zich van de plek;
Maar toen m' ook een dame vond,
Nam men die apart en bond
Naast den kapitein haar vast,
Tot versiering van de mast.
Daags daarna, toen een matroos
Vuur sloeg in zijn tondeldoos,
Spatte een vonk, en daardoor kwam
De arme Turk in laaie vlam;
Doch de warmte en hitte doet
Prik en Ursel innig goed.
Toen de Turk van kop tot zool
Was verbrand tot as en kool,
Komt in beiden 't leven weer.
Zij omhelst haar broeder teêr,
Doch die knijpt, benauwd te moê
Dadelijk weer zijn ogen toe.
Prikkebeen houdt zich als dood;
Dat brengt Ursel zeer in nood;
Zij bevrijd hem van zijn strop,
Pakt hem aan en zet hem op;
Doch, bewegingloos en stijf,
Valt hij, bons, haar tegen 't lijf.
Schoon ze bitter klaagt en schreit,
Hem met zoete naampjes vleit
En met tranen overgiet,
Wat ze doet het helpt haar niet;
Koud en hard als marmersteen,
Blijft de hele Prikkebeen.


[Deel VIII Hoe mijnheer Prikkebeen door de zorg van zus Ursula toch nog ontdooit raakt] [J.A.A. Goeverneur pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.