Prikkebeen

J.A.A. Goeverneur pagina

VIII Hoe mijnheer Prikkebeen door de zorg van zus Ursula toch nog ontdooit raakt

[Deel VII Hoe mijnheer Prikkebeen aan de Noordpool komt en wat daar verder met hem gebeurd is]

Daar zij evenwel 't gebons
Van zijn hart voelt, neemt ze een spons
En ze wrijft hem heel niet mals
Daarmee borst, gezicht en hals.
Door 't gekriewel en gedoe
Is hij haast aan 't lachen toe.
Al, wat zij bedenken kan,
Doet zij voor den armen man;
Kommen vlierthee, kokend heet,
Giet zij in hem.  't Klamme zweet
Breekt weldra den sukkel uit
En ontdooit zijn harde huid.
Ursula, zodra zij 't ziet,
Treuzelt nu ook verder niet,
Maar bindt hem, zo lang hij is,
Aan een braadspit, waar toch wis
Nu de hitte en laaie gloed
Hem wel heel ontdooien moet.
Daar de hitte in korte tijd
Zich door 't ganse schip verbreidt,
Dringt die ook door lijf en leên
Der bevroren Turken heen.
Zoetjes aan ontdooid geraakt,
Zijn ze als uit een droom ontwaakt.
En in woeste toorn ontbrand,
Grijpen ze nu 't zwaard ter hand,
Komen boven en verslaan
Al, wie hun maar durft weerstaan;
En hun sabels, scherp en goed,
Druipen dra van Christenbloed.
Ursula zit, bleek van schrik
Nog bij 't vuur en braadt haar Prik,
Tot een grimmig turks mijnheer
Binnenkomt met blank geweer.
`Och pardon, heer officier'!
Riep ze, `ik braad een Christen hier.'
Prikkebeen begreep thans wel,
Dat het uit was met het spel;
Ook was voet, wang, oor en hand
Hem al tamelijk verbrand.
`Ursel,' riep hij, `schielijk, bind
Los me; ik ben ontdooid weer, kind.'


[Deel IX Hoe mijnheer Prikkebeen en zijn dikke vriend gered worden en onder de Turken gaan] [J.A.A. Goeverneur pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.