A. Roland Holst ( 1888-1976)

De Prins Weergekeerd


Ligt ergens nog die helm? en dat kuras,
bestaat het nog? Geringschat, ongedragen,
laat dit tijdperk, wat eens van geest en ras
getuigde, roesten. Joelen, spot weeklagen,
hees natellen van goud: onder de lage
wolken klinkt anders niet; de rest werd as.

De rest: de handen van een prins, het hoofd
dat eenmaal uit genotzucht vastberaden
het edel hart bevrijdde in een geloof
en in een op genade of ongenade
strijden, tot geestdrift met beheerste daden
uit keurbende’ een volk oogstte, schoof aan schoof.

Konden de groten, die -- hun jeugd voorbij --
bezield oorloogden, na een reeks geslachten
weer jong terugkomen, en stond ook hij
zo en thans weergekeerd, en hier, bij machte
ons te verstaan naar daden en gedachten,
hoe zou hij ons dan aanzien, u en mij?

De dag gaat uit; niets wordt er meer gehoord
dan uit ver dorp kindren die spelend schreeuwen --
Maar hier staat in wak licht, dat, nog doorgloord
van eeuwen her, kwijnt door ophanden sneeuwen,
dit beeld van voor hij vocht, dat na vier eeuwen
thans op wat inkeer zich afvroeg, antwoordt.

Zwijgzaam en terughoudend, haast alweer
afgewend, is de blik; de zijdlingse ogen
dralen mismoedig, ziende heinde en ver
de hevigen ontzield, de zielsbewoognen
ontmand, en zijn arm volk, den geest verloochnend,
vallende uiteen in benden, her en der.

Zoals den oogopslag houdt ook dien mond
hoog misprijzen teleurgesteld omwreveld --
De korte winterdag heeft uit, en rond
dit huis, waar hoop aan wanhoop zich benevelt,
ligt het voormaalge in stile en ijs gekneveld,
en wat de toekomst bergt, blijft ondoorgrond.


Bezorgd door Thomas Vaessens.