CAREL STEVEN ADAMA VAN SCHELTEMA (1877-1924)

DE BEUKENHAAG

Langs de’ uitgetreden duistren weg
Bouwt, om de tuinen te versperren,
De oude ruige beukenheg
Haar zwarten wal tegen de sterren,
   Het dorre hout ruischt in den nacht
   Als eene eindelooze klacht.

Van onder kaal en afgetrapt,
Vol puisten aan haar arme stammen,
Is zij aan allen kant gekapt
En wuift geen tak meer uit haar kammen,
   Van buiten is zij gladgesnoeid,
   Van binnen is zij kromgegroeid.

Maar in de stoppelen verward,
In al haar kronkelhout verholen,
Hangt, als een eenzaam donker hart,
Nog een verlaten nest verscholen,
   Daar zat een mooien lentedag
   Een liedje in, dat niemand zag.

En elken Mei keert haar geloof
Terug aan ’t eeuwig groene leven,
En vol van bloot en teeder loof
Staat zij weer in de zon te beven,
   Doch kiemt en geurt en wuift zij weer,
   De tuinman snoeit en snijdt haar neer.

Zoo gaan zij eender allemaal,
Geknipt, gekapt en afgeschoren
En toch is elke stronk eenmaal
Uit eenen beukenboom geboren,
   En geen van hen wordt immer groot
   En gaan van hen gaat immer dood.

En ginder staat het zwart en zwaar
Kasteel van duizend duistre twijgen,
Staat de oude trotsche beukelaar
Alleen in 't starrenlicht te zwijgen,
   Zijn machtig mateloos gevaart’
   Droomt van den hemel en de aard.

Wij groeien op een slechten grond
Met onze machtelooze wenschen
O haag wij zijn als gij gewond:
Geknotte en geschonden menschen!
   Een donkre wal staan we in den nacht,
   En door ons hart huivert het zacht.
Bron: Spiegel van de Nederlandsche poezie door alle eeuwen. (1939) N.V. De Spiegel, Amsterdam

E-Mail: 0vwijk02@lelystad.flnet.nl

Laatste wijziging: 11 september 1996


Coster-pagina