Bij een beeld in een parkvijver

C.S. Adama van Scheltema

De heete zon lacht met haar volle facie
De malle menschen uit, - dampt in de straten,
Verguldt in 't park 'de blaadren tot dukaten,
En schenkt der zondige aard haar gulle gratie.

De burgerij trekt op: - uit alle gaten
Treedt 't zoet gezin met deftig stijve gratie,
En lonkt en schuift en sleept in 't park zijn staatsie,
En knikt en knipt en wandelt wijs te praten.

Zeg arme hen, van 't vet der aard verzadigd,
Waarom staat uw gezicht zoo stil-verveeld,
Waarom zoo plechtig-wijs en wélbezadigd?

O Holland's burgerij: - zoo 't vijverbeeld
Tot naakt heusch-levend mensch zijn begenadigd
Lijf betoovert - - dan waar' 't fatsoen gekeeld!


Eerste Oogst, Derde druk, W.L. & J. Brusse's Uitgevers-Maatschappij, MCMXVII

[C.S. Adama van Scheltema pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: ljcoster@dds.nl.