Langs wei en wilgen glee de vochte nacht, Het deinzend witte kleed golfde en bezoomde Het lage land, - boven den herfstdauw doomde Het blinde oog der maan - zoo stil, zoo zacht. De schim der stad ontvlood een matte klacht, Ginder en verder stond een boom en droomde Eenzaam, - van mistig natte takken stroomde Aldoor, aldoor een doode bladervracht. Toen dacht ik aan ons werk, o kameraden! Hoe nachten nog om onze schouders hangen, Om zwakke lichtgestalten, zwaar beladen: Wij schudden 't menschenlot, door vreugd bevangen - En slechts een dorre vloed van vale bladen Ruischt in het meer van mateloos verlangen!
Eerste Oogst, Derde druk, W.L. & J. Brusse's Uitgevers-Maatschappij, MCMXVII
[C.S. Adama van Scheltema pagina] [Coster pagina]
Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan:
ljcoster@dds.nl.