Maan-nacht

C.S. Adama van Scheltema

De gracelijke maan gespte 't satijnen
'Kleed en zijden weefsel uit al de dalen
Der aarde saam tot 'n zilvren knoop van stralen,
Waaruit haar klaar gelaat stil hing te schijnen.

Toen kwam een stoet van pelgrims aan, - de schrale
Noord-wind dreef hen besneeuwd door de woestijnen
Der heemle', hun vilten pij aan flarde' in 't fijne
Licht der maan, - 'k dacht : vanwaar? om wat te halen?

Wij zijn die pelgrims door de sneeuw der tijden,
Wij vragen niet vanwaar, noch uit welk lijden -
Wel weten wij waarnaar wij barvoets gaan;

En soms - soms dwaalt een heldere gedachte
Naar 't blijde kind van latere geslachten,
Als 't onze schimmen ziet bij lichte maan.


Eerste Oogst, Derde druk, W.L. & J. Brusse's Uitgevers-Maatschappij, MCMXVII

[C.S. Adama van Scheltema pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: ljcoster@dds.nl.