De Zomer is voorbij - voorbij! Langs alle vensternissen Staan madelieven, rij - aan rij In lange witte rissen. Als 't avond is, te rust - te rust! Dan klim ik op de daken, De blanke maan die kust - die kust Margrieten tot ontwaken. De bloemen groeien zacht - zoo zacht, Die wind ik om mijn vingers, Dan strooi ik door den nacht - den nacht Die witte bloemenslingers. En 's morgens vroeg, bij dag - bij dag, Dan zijn de menschen mooier, Dan vragen zij: wie zag - wie zag Dien zilvren sterrenstrooier? - De dagen gaan voorbij - voorbij! Ach, ik kan in mijn leven Den menschen zoo, bij tij - bij tij, Niet meer dan bloemen geven!
Eerste Oogst, Derde druk, W.L. & J. Brusse's Uitgevers-Maatschappij, MCMXVII
[C.S. Adama van Scheltema pagina] [Coster pagina]
Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan:
ljcoster@dds.nl.