De woeste sterke wind zong zulk een bangen Zang, de wolken goten hun grauwe kruiken Op de aarde leeg, - vergeefs sloot ik mijn luiken: Het was het jagend lied van wild verlangen! Dien gulden avond vlamde 't in de struiken, Als tranen op bebloosde kinderwangen, - Waar 'n roode zon in elken drop bleef hangen, Ging 'k langs het stralend pad den Zomer ruiken. Vriend, luister aan mijn borst: - hoort gij den storm, Die zingt en jaagt - juichend in 't harte viel, Waarin mijn trane' als rijpe vruchten beven? Eens spiegelt zich een gansche wereldvorm, Als zon in dauw, in elke menschenziel - - Wij weten 't vriend - wij zullen 't niet beleven!
Eerste Oogst, Derde druk, W.L. & J. Brusse's Uitgevers-Maatschappij, MCMXVII
[C.S. Adama van Scheltema pagina] [Coster pagina]
Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan:
ljcoster@dds.nl.