Onder die verschrikkelijke lucht Vaart, als 'n aaklig makabere klucht, De groote zwarte bruid Van dit sombere geslacht - Een donker-begruisde schuit Met een zwarte kolenvracht; Die komt tegen den dompigen dag botsen En schuift iets doods onder de plonzige schotsen. - Het water plooit - 't Dooit! Jongen! sta nou als een toren pal Aan dien natten drassigen grachtwal. - Laat, diep uit je hart vandaan, In den roereloozen mist Langzaam 't vaandel opengaan Op die donkere doodkist: - Daar hangt het hoopvol over 't treurige water! Daar heeft het heel zijn kleuren-lachenden schater- Opengestrooid - 't Dooit! Gebogen gaan ze over de brug. - Waarom zijn die gestalten zoo stug In hun triestig verdriet -. Maar zien ze dan door het rag Van den rege' uit mijn hart niet Die prachtige stille vlag -? Ach nee! hun blinde leed maakt ze nog lammer, En hun eindlijke vreugd - 0, wat innig jammer! - Zien ze die ooit? - 't Dooit!
Eerste Oogst, Derde druk, W.L. & J. Brusse's Uitgevers-Maatschappij, MCMXVII
[C.S. Adama van Scheltema pagina] [Coster pagina]
Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan:
ljcoster@dds.nl.