De vlag

C.S. Adama van Scheltema

Onder die verschrikkelijke lucht
Vaart, als 'n aaklig makabere klucht,
De groote zwarte bruid
Van dit sombere geslacht -
Een donker-begruisde schuit
Met een zwarte kolenvracht;
Die komt tegen den dompigen dag botsen
En schuift iets doods onder de plonzige schotsen. -
Het water plooit -
't Dooit!

Jongen! sta nou als een toren pal
Aan dien natten drassigen grachtwal. -
Laat, diep uit je hart vandaan,
In den roereloozen mist
Langzaam 't vaandel opengaan
Op die donkere doodkist: -
Daar hangt het hoopvol over 't treurige water!
Daar heeft het heel zijn kleuren-lachenden schater-
Opengestrooid -
't Dooit!

Gebogen gaan ze over de brug. -
Waarom zijn die gestalten zoo stug
In hun triestig verdriet -.
Maar zien ze dan door het rag
Van den rege' uit mijn hart niet
Die prachtige stille vlag -?
Ach nee! hun blinde leed maakt ze nog lammer,
En hun eindlijke vreugd - 0, wat innig jammer! -
Zien ze die ooit? -
't Dooit!


Eerste Oogst, Derde druk, W.L. & J. Brusse's Uitgevers-Maatschappij, MCMXVII

[C.S. Adama van Scheltema pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: ljcoster@dds.nl.