C. S. Adama van Scheltema
Het schemert, en Waar 'k peinzend langs de golven ga En peinzend naar hun ruischen hoor, Ruischt mij hun vloed al schuimend na En wischt mijn spoor. Het schemert, en Waar 'k wijkend het getij beleef, Ruischt het getijde op mij aan En wischt wat 'k in mijn hart beschreef - Wat 'k heb gedaan. Het schemert, en In 't ruischend wit getijde zie 'k Een bleeken, vreemd geworden geest - En 'k peins naar wie ik was - naar wie 'k Eens ben geweest!
Zingende stemmen
[C. S. Adama van Scheltema pagina] [Coster pagina]
Bezorgd door Joachim Verhagen (jcdverha@xs4all.nl).
Opmerkingen aan:
coster@dds.nl.