Herfstavond

C. S. Adama van Scheltema

 Toen zonk het leven heen van elken stillen boom,
Toen rezen neevlen uit de leeggeworden hoven
Om 't laatste lichten van den zomer uit te dooven,
 En werd het oude dorp een vage dunne droom.

 Dan dwaalden stilkens door den bleeken avondstond
Al die droefgeestige en onbestemde geuren
Van eenen laten herfst voorbij de dichte deuren,
 En golfden witte drade' over den vochten grond.

 Soms huilde nog het vee in eene verre schuur,
Soms kwam een stille vrouw van eenen drempel dalen
Om witte doeken uit een boomgaard weg te halen -
 En ging weer hene' als eene heilige figuur.

 Alleen nog hier en daar, achter een leege haag,
Hingen aan magere en afgedorde ranken,
Als lange vingers van een stervensmoede kranke,
 De gele peulen stil in eenen tuin omlaag.

 Maar rondom kwam al lang de zwarte aarde bloot,
En bleef maar zelden nog een volle akker over
Van leelijk groen en zwart en afgemergeld loover,
 Of lag een boekweitland met bruin en bloedend rood.

 En langs den straatweg kwam nog maar één stap: -
Daar ging een oude man met vuile witte haren,
Die droeg een natte mand, vol arme konkelwaren,
 En om zijn dorren hals een purperrooden lap.

 Doch in de verte, door de bonte schemering,
Zakte langzamerhand de avondhemel open,
Als een gemarteld hart, dat gansch was leeggeloopen
 En vol bebloeden mist en lange rafels hing.

 Ik ga alleen - alleen - en zonder mensch of God
Door al 't barbaarsche schoon van deze neveltijden,
En om mij ruischen en verstommen de getijden -
 De ebbe en vloed van mijn onmenschelijke lot;

 En in mij hangt mijn hart, vol louter menschlijkheid,
Dat overloopt van liefde in deze leege stonden -
En juist die laatste smart van 't leven heeft gevonden: -
 Dat al 't waarachtig schoone is ééne eenzaamheid!


Eenzame Liedjes, 1906

[C. S. Adama van Scheltema pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.