Carel Steven Adama van Scheltema (1877-1924)

De hemelspiegel

Als twee lichten dwalen
   Wij den hemel door,
Als de sterrestralen
Die in ’t duister dalen
   Wischt de nacht ons spoor.

Onze banen vonden
   Beider glanzend bed —
Sinds die lichte stonde
Schrijven zij heur ronde
   Naar gelijke wet.

Verre stemmen geven
   Ons eenzelfden naam,
Doch wij beiden bleven
Naast elkander zweven,
   Vielen nimmer saam.

Zilvren regen ruischt er
   Onze baan voorbij —
Dan weer dooft die luister
En wij ijl’ in ’t duister,
   Slechts elkaar nabij.

Soms zijn wij de vore
   Van een stralend pad —
Blinder dan te voren
Laat ons die verloren
   Onbekende schat.

Door de stille sferen
   Gaat een weg van licht
Aller staag begeeren
Is daartoe te keeren —
   Geen is goed gericht.

Tusschen tegenheden
   Weifelt onze vlucht,
Want de lichte steden
Fonkelen beneden
   Als de sterrenlucht.

Alle levensbanen
   Zien in haar heur beeld: —
Spiegel aller wanen,
Die met stomme tranen
   Als met sterren speelt.

Mensche’ en steden sterven,
   Nijgen eens ten val —
Mensche’ en sterren zwerven
Als verdwaalde scherven
   Door het diep heelal.

Zie hoe dicht bepereld
   Heel de wereld wacht: —
Om ons rust de wereld
En ons harte dwerelt
   In den sterrennacht.
Bron: Spiegel van de Nederlandsche poezie door alle eeuwen. (1939) N.V. De Spiegel, Amsterdam

E-Mail: 0vwijk02@lelystad.flnet.nl

Laatste wijziging: 11 september 1996


Coster-pagina