C. S. Adama van Scheltema
Wat zijt gij klein Holland Met al uw velden en vlakke wegen, Met uw rampzalige aardappellanden, En uw vreeslijk droefgeestigen regen, En uw lage goedaardige stranden - - Maar groot toch is de zee Holland, Waaraan gij langzaam zijt verschenen, Waaruit ge als een schelp zijt geboren, Die zingt door uw heele land henen, Dat elk in zijn ziel haar kan hooren! Doch wat zijt gij klein Holland Met uw simpele wilgeboomen, Met al uw kleine kabblende plassen, En die paar platte gemaklijke stroomen, En uw bloemen en tamme gewassen - - Maar groot toch is uw hemel Holland Met zijne matelooze klaarten, Met al zijn oneindige kleuren, En die verandrende wolkengevaarten, Waarmee groote dingen gebeuren! Doch wat zijt gij klein Holland Met uw verlegen zwijgende menschen, En al uw langzame stille levens, En al uw vele denkbeeldige grenzen, En o! met nergens ooit iets verhevens - - Maar groot toch is uw volk Holland, Verwant aan uw heerlijk verleden, Dat tusschen uw heemle' en zeeën bleef groeien, En tusschen die wisselende eeuwigheden Zich bereidt om opnieuw te gaan bloeien!
Eenzame Liedjes, 1906
[C. S. Adama van Scheltema pagina] [Coster pagina]
Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan:
coster@dds.nl.