Klacht

Bij den dood van C.F.L.

C. S. Adama van Scheltema

De Zomer stroomt van de glanzende loovers,
En staat op als een bruid uit de zingende velden,
Een zwerm van witte vlinders valt in de klaver,
De morgendauw druipt van de struiken,
Als van onze wangen de tranen -
  Want hij is gestorven!

Het koren ruischt, als de klagende branding,
Die opstijgt uit ons hart tot de kusten onzer oogen,
Boven ons dragen statig de wolken
Een witte sarcophaag aan den hemel
Van verre sneeuwwitte bergen -
  Daar is hij gestorven!

Onder ons slaat het vuur uit de wegen,
Want onder de aarde ligt hij begraven,
En zijn dapper hart brandde van liefde
En lust om te vechten met het leven,
En hij heeft eerlijk gevochten -
  En hij is gestorven!

Als de avond daalde van de bergen,
Zag zijn hunkerend hoofd den gloed van het leven,
Dat rijst op de wereld - dat verging in zijn boezem,
En zijn stem vroeg den sterren genezing -
En stierf ver weg in de bergen -
  Toen is hij gestorven!

Maar onze strijd stuurt zijn echo's aan bergen en dalen!
En roept hem weer, als het blaast tot den aanval,
Als wij klimmen tot het licht op de bergen,
Dan dreunt zijn gebeente van vreugde!
En mijn ziel vecht met de voorsten -
  Maar hij is gestorven!


Van zon en zomer, 1902

[C. S. Adama van Scheltema pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.