Boven het koren

C. S. Adama van Scheltema

Toen ik als kind door 't koren liep,
En tusschen korenhalmen sliep,
 Toen leek het, dat die korenaren
 Voor mij als groote menschen waren: -
Daarboven ging het leven heen,
Dat een geweldig wonder scheen -
 Doch ik lag veilig daarbeneden
 Bij al mijn kleine heerlijkheden

Ik groeide boven 't grote graan,
Mijn kleine hart kreeg vleugels aan,
 De blauwe lucht had me opgetogen -
 De akker zonk mij onder de oogen,
Ik zag het korenland benêe,
Dat golfde als een gele zee -
 Toen borst mijn hart en ging ik zingen
 Van al die eindelooze dingen.

Of ik al tusschen 't koren keer,
Nu vind ik daar mijn nest niet meer: -
 Ik ben benêe in 't graan geboren,
 Toch moet ik leven boven 't koren,
En zien hoe 't àl te zamen waait -
En groeit - en geelt, en wordt gemaaid -
 Maar mijn geluk en mijn verlangen
 Zijn aan het koren blijven hangen!


Eenzame Liedjes, 1906

[C. S. Adama van Scheltema pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.