C. S. Adama van Scheltema
't Wordt stil - en als een stille droom Komt de avond om mij heen, - En zachtjes ga ik droomend aan Den weefstoel van 't verleên. En zachtjes tel 'k de dagen weer, Die door mijn vingers gleên - En droomend zie 'k het dampend dal Door de' avondschemering heen: - Daar is dezelfde heuvel waar De zon vroeger verdween - Daar zijn dezelfde dingen nog Waarop zij vroeger scheen. Dezelfde boome' en pade', - iets is Toch anders dan voorheen - Zij waren stiller - vreemder - of Veranderde ik alleen? Daar liep ik - en daar lag ik toen - Daar klom ik overheen, - Het lijkt zoolang - zoolang al - en 't Is toch niet lang geleên. En langzaam om mijn droomend hoofd, Komen twee armen heen - En 'k droom - en waak - en ach, ik weet Niet of ik lach of ween. En peinzend zie ik haar gelaat, Dat buigt over mij heen - En 'k zie haar aan, en weifel nog - Ben ik niet meer alleen -?
Uit stilte en strijd, 1909
[C. S. Adama van Scheltema pagina] [Coster pagina]
Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan:
coster@dds.nl.