C. S. Adama van Scheltema
En beneden waren de menschen - Die maaiden het gele heete graan, Die hadden geen ploeg en geen paarden, Die groeven de gierige aarde En die konden niet recht meer staan; Zij maalden hun hart, Zij maalden hun zweet, Zij maalden hun bitter, bitter leed - En op aarde groeide een bleek geslacht Van heel arme kleine menschen! En daarboven stond de molen - Die maalde het schamele graan, Zijn schaduwen zwaaide' in de landen - Elk nam uit hun magere handen Als een donkere dief iets vandaan; Die maalde hun hart Die maalde hun zweet, Die maalde hun bitter, bitter leed - En op aarde vloeide het witte meel Van den grooten mooien molen! En daarboven stond de hemel - Die liet groeien het dunne graan, Die blies immer den molen aan 't malen, Die draaide om de dagen zijn stralen En zag de menschen bidden gaan; Die maalde hun hart, Die maalde hun zweet, Die maalde hun bitter, bitter, leed - En op aarde stortte het vlammend vuur Van den grooten hoogen hemel!
Van zon en zomer, 1902
[C. S. Adama van Scheltema pagina] [Coster pagina]
Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan:
coster@dds.nl.