Verloren paradijs

C. S. Adama van Scheltema

De avond komt naar beneden
 En verguldt al dat wuivende loof, -
Nu waaien door mijn hart de gebeden
 Van een lang verloren geloof.

Daar gaan al die kronen aan 't zingen -
 En mijn lijf is met hen vervuld
Van den galm van vergane dingen,
 En van oude menschlijke schuld.

En rondom mij rijst dat Eden,
 Die tuin van geluk zonder leed -
Die droom van zóólang geleden,
 Dat geen ziel er meer iets van weet!

Zij hebbe' eeuwig geweend van verlangen
 Om dat verloren heiligdom,
Zij hebbe' er elkaar om gehangen -
 En zij hebben het nóg niet weerom!

Ach! wij zijn te vroeg geboren,
 En daarom doet het leven zoo'n pijn: -
Omdat wij God hebben verloren
 En nóg niet zijne engelen zijn!


Eenzame Liedjes, 1906

[C. S. Adama van Scheltema pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.