Carel Steven Adama van Scheltema (1877-1924)

Aan mijn partijgenoten

Het leven schatert in de rondte
   Zijn wilden waan,
Het stort van alle horizonten
   Tegen ons aan!

Wij zien de barre tijden klimmen,
   Wier onweer wast,
Slechts onze hand houdt aan haar klimmen
   De wereld vast!

Door nevelige sferen gaan wij,
   Waar niets meer schijnt,
Aan 't stuurrad van de wereld staan wij,
   Recht overeind!

Vr ons zien wij de diepten deizen
   Den dag gedoofd --
In nacht en storm twee starren rijzen:--
   Ons hart-- ons hoofd!

Hun licht hangt over blinde zeeën
   Gerust gericht,
Hun stillen schijn houden zij tweeën
   In evenwicht.

De boorden en de naven stampen,
   Haar bodem kraakt --
De aarde barst uit alle rampen,
   Haar koers bewaakt!

Ons wordt de schemer der gevaren
   Eén harmonie,
Ons wordt het lied der witte baren
   Eén melodie!

Ons rijst achter de verre zwerken
   Een bleeke schijn,
Ons kan dit leven lief en werken
   Gelukkig zijn!

Als eens ons hoofd, teruggebogen,
   Ten onder gaat,
Glimlacht in onze doode oogen
   De dageraad!

Wij voelen de aarde onder ons beven,
   Wij richten haar! --
Broeders! het is zoo mooi dit leven!
   Broeders -- zoo zwaar!
Bron: Spiegel van de Nederlandsche poezie door alle eeuwen. (1939) N.V. De Spiegel, Amsterdam

E-Mail: 0vwijk02@lelystad.flnet.nl

Laatste wijziging: 11 september 1996


Coster-pagina