De Populieren

C. S. Adama van Scheltema

Het ruischt in de' avondstond,
Het ruischt in 't zingende verbond
 Van mijne lieve donkre populieren -
Ik hoor hun koelen geest
Het winderige avondfeest
 Met eene diepe sombre vreugde vieren.

Als in den morgen nauw
Hun stammen rijzen uit den dauw,
 Zingen mijn hooge tooverige boomen -
Ik hoor hun kalme klacht
Tot in den stillen sterrennacht
 Van al hun zangerige takken stroomen.

Als ik het leven vlied
Met in mijn hart zijn jammerlied,
 Luister ik naar hun ritselende blaren -
Tot leed en wrevel vlucht,
En ik met een gelaten zucht
 Mij onder hunnen balsem voel bedaren.

Zoo 'k aan hun wortels kniel,
Als 't waait en wankelt door mijn ziel,
 Hoor 'k over mij hun rustig vrome koren -
Dan gaat mijn weenend hart
En heel mijn menschelijke smart
 Onder hun zingend gebed verloren.

Als in het morgenlicht
Ik, blijde om een droomgezicht,
 Verdwaal onder hun sombere gezangen -
Dan zwijgt mijn zwakke lach,
En blijft dien ganschen wijden dag
 Een vreemde stilte in mijn boezem hangen.

Ik weet wat mij verstomt,
Wat van hun loovers nederkomt,
 Wat daalt uit hunne wankelende kronen: -
Dat is vergetelheid -
De adem van de eeuwigheid,
 Die in die duizend blare' is blijven wonen.

Ik zit in de' avondwind,
Een stil geworden menschenkind,
 Onder mijn lieve donkre populieren -
Ik doe mijn oogen toe,
En luister eenzaam zwijgend hoe
 Zij fluisterend hun sombre vreugden vieren.


Eenzame Liedjes, 1906

[C. S. Adama van Scheltema pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.