De moedelooze en zijn schaduw

C. S. Adama van Scheltema

Wij zaten samen aan den avondzoom;
Een weeke geur gleê van de matte takken
  Langs het verlaten pad
    En moede landen, -
Als een tevreden en doodstille droom
Barstte het avondlicht uit de' ouden wrakken
 Hemel en lei een schat
    In onze handen.

"Gezel! ik heb geleefd en liefgehad,
Soms heb ik vreugde en verdriet vergeten,
  Iets moois - iets liefs gevoeld - -
    Is 't nog te vroeg?
Ik heb gearbeid en gezocht naar wat
Een groot heerlijk geslacht eenmaal zal weten,
  Iets moois - iets goeds bedoeld -
  Is dit genoeg - ?"

""Genoot! ik ben de schaduw van uw hart,
Ik heb geleden en vergeefs geroepen -
  Nimmer heb ik een lief
    Gelaat gekust!
Het is genoeg tot loon van bittre smart
Voor éénen keer de Schoonheid aan te roepen,-
  Kom leg u als een dief
    Naast mij te rust!""

Wij hielde' een bleeken schat in onzen schoot;
Een huivering gleê van de stille blaren,
  De maan peinsde in 't spinrag,
    Staarde ons aan - -
"Kom gij die met mij zijt, moede genoot,
Gedenk te leven! en aanvaard de jaren
  Met 'n vriendelijken lach -
    Laten wij gaan!"


Van zon en zomer, 1902

[C. S. Adama van Scheltema pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.