De schoonheid

C. S. Adama van Scheltema

Toe ik heden opzag van mijn leven,
Uit de schaduw van mijn stille zorgen,
Zag ik, tot de witte diepe verte,
 Weer de Schoonheid om mij henen slaan, -
Tot haar immer onverwachte gaven,
Tot haar wijde zegenende handen,
Tot de kalme stammen van haar vruchten
 Ben ik weer gelukkig heengegaan.

Uit de schaduw van mijn stille leven,
Over de onrust van mijn blinde zorgen,
Heb ik mij naar de eindelooze verte
 Met een glimlach weder heengebukt, -
En tevreden bij haar heldre gaven,
Heb ik met mijn beide dankbre handen
Weer een groen lak vol zoete vruchten
 Van den boom des levens afgeplukt.

Wij gaan allen door het wijde leven,
Allen dragen wij zoovele zorgen,
Allen gaan wij naar de witte verte,
 Samen gaan we als blinden hand in hand, -
En wij toeven bij haar lichte gaven,
Tasten zwijgend met gewonde handen
Naar die al te schaarsche vruchten
 Aan de wegen naar 't beloofde land.


Eenzame Liedjes, 1906

[C. S. Adama van Scheltema pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.