Vergeten

C. S. Adama van Scheltema

Het was 't einde van den dag,
 Die was aan het bezwijken -
Ik was alleen en lag
 Er stil naar te kijken.

Ik voelde mij moe
 En krom van 't loopen,
En droomerig keek ik hoe
 De miertjes wegkropen.

Ik voelde mij niet arm, niet rijk,
 Maar een kind van de aarde,
En aan haar bloemen gelijk,
 Waarover ik heenstaarde.

En zoo, zonder vreugde of zucht,
 Lag 'k met niets te bemoeien,
Ik keek maar naar de lucht,
 Die overal ging bloeien. -

Door die diepe avondkleur
 Kwam toen een wagglende wagen,
Hoog met hooi, en vol geur,
 En vol zoete vlagen.

En achter dat hooi
 Kwam een meisje - zoo'n lief wezen, -
Zij was zoo mooi - zoo mooi
 Als een mensch maar kan wezen!

Wij zagen naar elkaar,
 Verguld van het lichten -
Wij zagen verwonderd naar
 Elkanders gezichten. -

Ik bleef nog een wijl,
 En zag vóór mij uit, zonder
Te zien - en onderwijl
 Ging de zon onder.

Toen rees ik, en ging ik heen
 Naar mijn ledige woning,
Ik voelde mij alleen
 Zooals een treurige koning.

Toen ik in 't lamplicht
 Mijn brood zat te eten,
Dacht ik aan dat gezicht -
 Ik was het vergeten!


Eenzame Liedjes, 1906

[C. S. Adama van Scheltema pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.