De vogeltjes

C. S. Adama van Scheltema

Ik heb een vogeltje gezien: -
 Het was geen watersnippie
 Maar een verkouwen kippie,
 Ze had kroost als gele godjes
 Van eier-donzen dotjes, -
 Toen kwam de baas, die zocht ze
 En nam ze en verkocht ze;
 Zij keek eens schuin naar boven
 En wou 't eerst niet gelooven -
 Toen lei der kale kontje
 Een eitje met een strontje, -
 Toen kwam de baas, die zocht et
 En nam et en verkocht et;
 Dat kon ze niet verkroppen
 En pikte in kippekoppen -
 Toen dee ze een kleinigheidje:
 Het was een kippeneitje, -
 Toen kwam de baas, die zocht et
 En nam et en verkocht et;
 En eindlijk werd ze vetgemest,
 Geplukt, geroosterd, en de rest! -
 Ze had wel een aasje
 Van Jan-Piet-en-Klaasje!
Ik heb een vogeltje gezien:-
 Lorretje, kaporretje kapoe,
 Het was geen kaketoe
 Maar 't was een papegaaitje:
 Een papegaaien-gaaitje;
 Het was een rose wijfje
 Met veertjes aan der lijfje -
 Het was de baas zijn liefje
 Zijn harte- en duitendiefje;
 En was de baas afwezig
 Dan hield ze zich wel bezig,
 Want ieder amuseerde 'er
 Die kleine schuinsmarcheerder!
 En kreeg de lieve lorre
 Dan van den baas es knorren,
 Dan zat ze stil in 't kooitje
 En zocht ze een vogelvlooitje,
 Dan keek ze heel aandoenlijk -
 Maar toch niet erg fatsoenlijk;
 En toen 'k eens zei: "dag lachebek!"
 Toen riep ze plotseling: "verrek!" -
 Ze leek wel een beetje
 Op een mainteneetje!
Ik heb een vogeltje gezien:-
 De gele pronkkanarie
 Van Tante Bim Bombarie;
 Zij stond op 't guérdonnetje
 Van tante's lief salonnetje,
 En 's avonds mocht ze mede
 Naar tante's legerstede, -
 Daar hing ze in haar hoekje,
 Bedekt door tante's doekje;
 Het beestje heette Grietje -
 Doch "Grietje" had geen "Pietje"
 En Grietje, 't gele guitje,
 Zat nooit in 't huwlijksschuitje,
 Maar tante zei: dat dee ze
 Voor het fatsoen - dat zee ze;
 Toch zong het "pinkie! pinkie!"
 Nog mooier dan een vinkie,
 Maar 's winters zong het weinig,
 Dan leek het wat chagrijnig;
 En iedre dag bad tante weer:
 "Bewaar mijn Grietje Lieve-Heer!" -
 Het dee me denken aan 't gezichie
 Van mijn ongehuwde nichie!
Ik heb een vogeltje gezien:-
 Het was een plechtig uiltje,
 Een heilige op een zuiltje;
 Het had wel wat van tante
 Met kiespijn en bouffante,
 Maar in zijn platte facie
 Had hij toch veel meer statie,
 Al keek is soms wat druilig-
 Maar dat is speciaal uilig;
 Een paar brutale musschen
 Die name' 't dier der tusschen,
 Die vroegen of ie echt was
 En of ie wel terecht was -
 Doch 't adelijke diertje
 Keek enkel door een kiertje;
 Maar 's avonds was de rakker
 Wel wis en weergaasch wakker:
 Dan kneep die ouwe jonker
 De muisies in het donker;-
 En als ie dood is altemet
 Dan wordt ie prachtig opgezet!
 Het lieve diertje leek wel 'n ziertje
 Op een zalig renteniertje!
Ik heb een vogeltje gezien:-
 Een heel bijzonder beestje,
 De oppasser noemde 'm "Keesje",
 Maar 't was eigenlijk een arend;
 Hij zat op 'n stokje starend
 Te kijken naar zijn vlerken -
 Daaraan kon je wel merken,
 Dat hij geen plaats gekregen
 Had om zich te bewegen;
 Er lag een paardelapje -
 Dat leek een lekker hapje,
 Maar 't beest scheen niet tevreden,
 Al had ie hier beneden
 Toch lang genoeg gezeten
 Om 't vliegen te vergeten;
 Toen hupte ie van zijn stokje
 Naar achter in zijn hokje,
 En om dat gekke stappen
 Moet ieder ginnegappen -
 Maar 't dier dee even doof als stom
 En keek niet eens es effen om! -
 Het leek op somm'ge menschen
 Die de heele boel verwenschen!


Uit stilte en strijd, 1909

[C. S. Adama van Scheltema pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.