Voorbij

Carel Steven Adama van Scheltema (1877-1924)

Coster-pagina

Er ging iets moois voorbij,
Zo aan mijn hoofd voorbij,
Vlak langs mijn hart voorbij -
  Ik wist niet wat.

Ik deed mijn venster dicht,
En beî mijn ogen dicht,
En al mijn vingers dicht -
  Of ik het had.

Ik keek mijn venster uit,
Zag naar de verte uit,
Hoog naar de hemel uit -
  Of het daar stond.

Ik liep naar buiten toe,
Heel naar de verte toe,
Zo naar de hemel toe -
  Of ik het vond

Daar bij de wei daar zong,
Daar door de bomen zong,
Hoog in de hemel zong -
  De lente een lied.

Ik zag een kindje gaan,
En nog een beestje gaan,
En nog een meiske gaan -
  Dat was het niet.

'k Zocht bij de rozeboom,
Onder de pereboom,
Onder de appelboom -
  Ik zag er niets.

Toen ben ik heengegaan,
Ben ik maar weggegaan,
Ben ik naar huis gegaan -
  Zo zonder iets.

Ik nam mijn eigen hart,
Keek in mijn grote hart,
Diep in mijn lege hart -
  Of het daar lag.

Tot de dag henen was,
totdat het avond was,
Tot het zo donker was -
  Dat ik niets zag.

Toen in de schemering,
Dacht 'k in de schemering,
Dat in de schemering -
  Iemand mij riep --;

Toen heb ik zacht geschreid,
Heb ik heel stil geschreid,
Heb ik zo lang geschreid -
  Totdat ik sliep.


Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.
Naar de Coster-pagina.

Last modified: Sun Jan 28 18:32:58 1996