J.A. dèr Mouw
Zwevend op winden waait de zee door 't duin
Zwevend op winden waait de zee door 't duin,
En 't zout blijft achter in 't diep-koele zand;
Geen bloemengloed, geen groen van sapp'ge plant
Kleurt 't bleke egaal van ver-zichtbare kruin;
Maar 't water, neerfilt'rend, doet, tuin naast tuin,
Laaien van tulpenrood 't wijdvlammend land,
En ruist als bossen op, tot waar de rand
Vaal is door helm en ziek'lijk struikenbruin:
Stormend door open mensenleven, laat
De Godheid bloemloos 't oppervlak, waar 't zaad
Van blijdschap sterft, door lang verdriet geschroeid;
Tot ondergrondse zuiverheid vervloeid,
Herrijst Ze als 't rijk van schijn en rijm en maat,
Waar 't Denken tulpt en lovert, ruist en gloeit.
Bundel: Brahman I
Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster