J.A. dèr Mouw

Herinnering (I)

Zoals de ruiter over 't Bodenmeer -
Voortvloog sneeuwstuivend 't paard. 'T werd schemering.
Zijn schaduw, blauwe reus, tot grauw verging.
Ook 't laatste violet. De nacht zonk neer.

Eindigt dan nooit de vlakte? Nauwlijks meer
Ziet hij de grens van sneeuw en kimmenring.
Goddank! Uit verre lamp een tinteling:
Hij móét naar de overkant - Hij staat aan 't veer.

Verbijsterd spreekt de veerman. En hij hoort.
Maar hoort iets anders: hoort, hoe zijn galop
Beukt, bonkt op 't ijs met razend hoefgeklop,

Iedere sprong een klokslag aan de poort
Van ongeduld'ge dood: hij sart hem op.
Hij komt - Daar splijt de deur - Een worgend koord -


Bundel: Brahman I
Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster