J.A. dèr Mouw

Herinnering (III)

Hij ziet zijn leven, eind'loze woestijn,
En denkt aan prenten uit zijn kindertijd:
Helgeel is 't zand, en alles leeg en wijd,
Driehoekjes staan op de achtergrond, heel klein;

Hij weet met trots, dat 't pyramiden zijn -
In schaduwkoelte van vergetelheid
Had hij zo graag zijn moeheid neergevlijd,
Niet meer gesard door verre illuzieschijn.

Hij denkt: Dat was ik zelf; en nu ben 'k grijs.
En 'k had mijn tuintje toch in vaders tuin,

Voor bitterkers in 't voorjaar en radijs,
En dan violen, donkerpaars en bruin:

Die vond ik 't mooist. En gele. - En de ene hand
Wrijft weg van de and're een droog gevoel van zand.


Bundel: Brahman I
Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster