J.A. dèr Mouw

Herinnering (IV)

En bij het rijzen van de scheem'ring lag
Hij in het gras naar de avondlucht te turen;
Een afgrond leek de tuin, berghoog de muren,
Zwart van klimop met stoffig spinnerag;

Het leek een put, waarin de lichte dag
Op 't donker dreef, vol schimmige figuren;
Enk'le geluiden van de naaste buren
Plonsden als steentjes d'rin: een naam, - een lach.

Hij zag de zwaluwen als zwarte stippen
Vlak onder 't geel van de avondwolken glippen;
Daarna, in 't blauw, vond je hen moeilijk weer.

En 't fijn getjisper van hun zwenkend piepen,
Dat scheen de hoge stilte te verdiepen,
Droppelde als regen in zijn afgrond neer.


Bundel: Brahman I
Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster