J.A. dèr Mouw

Herinnering (IX)

'T werd nu toch koud: zijn kleren voelden klam.
Zo langzaam was 't gegaan, 't leek schemering,
Wel diep, maar toch geen nacht nog. En hij ging
Naar binnen voor zijn avondboteram.

En als hij huiv'rig in de kamer kwam,
Voelde hij zich veilig, en een vreemdeling;
De rand van 't bordje glansde, witte kring
In 't gele gaslicht. Stil suisde de vlam.

Nu, luist'rend vaag, vaag pratend, zag hij pas,
Hoe donker, hoe blauwzwart het buiten was,
En 't scheen hem toe, als kwam hij van heel ver;

Hij at zijn bot'ram, kuste goeienacht,
En ging naar bed, vol gele wolkenpracht,
Vol schemering, toekomst en avondster;


Bundel: Brahman I
Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster