J.A. dèr Mouw

Lang rolt, een bol van klank, de knal van 't schot

Lang rolt, een bol van klank, de knal van 't schot,
Bonzend van wand tot wand, 't gebergte rond:
Het dier, door 't vals onzichtbare gewond,
Kruipt, om de rand, in scheef verlichte grot;

En pijnlijk trekt hij met verbrijzeld bot,
Hinkend, een smal rood streepje over de grond;
Diep, ver van 't bos, waar hij zijn voedsel vond,
Daar gaat hij dood in 't donker; en verrot.

Hem, die vol toekomst zwerft door wildernis
Van jong gevoel, treft soms, die zeker is
Van 't goed gemikte woord, in tere plek:

Voor 't ongeluk, dat in zijn leven viel,
Vlucht hij naar 't ondergrondse van zijn ziel,
En kan niet meer naar boven; en wordt gek.


Bundel: Brahman I
Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster