J.A. dèr Mouw

't Is lang geleden (3)

Maar - één ding was er, dat 'k niet prettig vond:
Ik kende een plaat, waarop een neger vloog
Met de armen om een blanke, in 't donker. Hoog
Zag je veel licht; beneden was de grond.

Werd hij nu ook een engel? Met zo'n mond?
En met dat griez'lig witte van zijn oog?
Ik hoopte, dat grootmoeder zich bedroog,
En hij niet was bij God, als ik er stond.

Grootmoeder zei - 'k hoor nog haar lieve stem -
De kleur was niets; God zag alleen de harten;

En was dàt goed, dan kwam je vast bij Hem;
Hij hield niet meer van blanken dan van zwarten.

En ik begreep 't: gelijk zijn al de doden,
De mensen en de negers en de Joden.


Bundel: Nagelaten Gedichten
Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster