J.A. dèr Mouw


Brahman I
'k Ben Brahman. Maar we zitten zonder meid
Mooi meisje, dat met koelwit bruidsgewaad
'k Maak in gedachten vaak een bedevaart
Fossielen-atlas in diep bruin crayon
October
Hij ligt er nog, de steen
Door kelken van onwezenlijk kristal
Dof violet is 't west en paarsig grijs
't Is nacht. 'k Zit op de hei
Blond kindje speelt piano
Beweeglijk bloemperk op stil blauw kanaal
Er zit een schim
Het teerste, door schaamacht'ge scherts verzwegen
En nu 'k mijn mensenleed heb weggeschreid
'k Zie nu al hoe 'k, als jij gestorven bent
Ja, één keer nog je leven overdoen
Bevrijding (I),
(II),
(III),
(IV),
(V),
(VI),
(VII),
(VIII),
(IX),
(X),
(XI),
(XII),
(XIII),
(XIV),
(XV),
(XVI)
Bal
Doorschijnende halve bol van nevel
Ik ben de weg, de waarheid en het leven
God zou de ziel vergodlijken door smart
Mijn vad'ren staken blakerende brand
Langs Griekse beelden torst een oude vrijster
Herinnering (I),
(II),
(III),
(IV),
(V),
(VI),
(VII),
(VIII),
(IX),
(X)
IJl ligt de wilgenschaduw op de wei
Maanopgang
Hoog op de kaap
Ik sprak enthousiast over 't Parthenon
Stuk gruiz'len, 't strand op, van de horizont
Mummie
Door raam van dorpskerk
Fel wou, niet mocht, niet kon
Of de aarde een sterrehemel schijnen wou
In de hoogte (I),
(I),
(II),
(III),
(IV),
(V),
(VI),
(VII),
(VIII),
(IX),
(X),
(XI),
(XII),
(XIII),
(XIV),
(XV),
(XVI),
(XVII),
(XVIII),
(XIX),
(XX),
(XXI),
(XXII),
(XXIII),
(XIV),
(XV),
(XVI),
(XVII)
De laan in, uit westlijke wolkensluis
Lang rolt, een bol van klank, de knal van 't schot
Op zee en wolkbank ligt een zelfde tint
Tulpen
Fluwelen beeld (I), (II)
Naast mijn pendule
Nog hoorbaar, heel heel ver, is de avondtrein
Blauw, licht en stilte tot de horizont
Wie op 't terras zit van zijn berghotel
Klein kindje heeft verdriet
Soms kan op 't berglandschap de zon niet schijnen
Soms, als je 's winters op 't besneeuwde pad
Kent iemand dat gevoel
Vliegende bloem uit glanzen van opaal
IJlende trein schijnt, trillend, stil te staan
Doornig van wrok staat somber, dor en grauw
Tussen golven en sterren
'k Zat, jong, graag in mijn pereboom te deinen
Zoals een zaadpluis door een spinragdraad
Vaak, als 'k aan mijn verleden troost wil vragen
Zoals een ongelukkig man de rij
Stil, zonder dorpen, weiden, watervallen
Als 'k aan een brief van wie ik liefheb, smul
Wie ziet niet soms zich liggen in de kist
Door blauwe gaatjes valt uit beukebogen
Langzaam wringt zich 't water door 't steile dal
'k Sta naar 't schitt'rend oranje in 't west te kijken

Brahman II
Aquarium
Schomm'lend weegschaaltje, ritselt de libel
Zonsopgang
Stralig borduursel van kristallen wand
Niet twijf'lend weet ik: alle goed is kwaad
Zwevend op winden waait de zee door 't duin
Waar bleef wel de meetkund'ge
'k Hoor, hoe met gouden lijst de schilderij
't Is zomer, zondagmorgen, een toneel
Grottenpaleis van nachtlijke Sibulle
't Is eind Augustus, Zondag
Het hele landschap heeft de zon vertaald
Snuff'lend over blauwzwart bevroren vliet
Achter mij in de laan hoor 'k paardehoeven klakken
Golfstroom (I)
Golfstroom (II)
Golfstroom (III)
Ik zat aan 't roer (I)
Ik zat aan 't roer (II)
Ik zat aan 't roer (III)
Violenbed
Soms vraag ik nuchter (I)
Soms vraag ik nuchter (II)
Door winteravondmist zijn blauw beslagen
Voor paarsblauwe avondlucht zie 'k uit mijn raam
Geen maaksel was 't van sterfelijke hand
Vol winteravondschem'ring ligt de laan
Zonsondergang
Al wat ik dacht
Omhoog zien naar de zon de waterrozen
Als koel in 't groen baden mijn brandende ogen

Nagelaten gedichten
Zomer (I)
Zomer (II)
Zomer (III)
Om één jaar jong te zijn
't Is lang geleden (1)
't Is lang geleden (2)
't Is lang geleden (3)
't Is lang geleden (4)
't Is lang geleden (5)
't Is lang geleden (6)
't Is lang geleden (7)
't Is lang geleden (8)
't Is lang geleden (9)
't Is lang geleden (10)
't Is lang geleden (11)
't Is lang geleden (12)
't Is lang geleden (13)
't Is lang geleden (14)
't Is lang geleden (15)
't Is lang geleden (16)
't Is lang geleden (17)
't Is lang geleden (18)
't Is lang geleden (19)
't Is lang geleden (20)

Alle gedichten op deze pagina in een ZIP-bestand
Deze pagina zonder frames, afbeeldingen, etc.